<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:4527</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-10T08:00:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 21_5058</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:4527">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:4527</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-08T15:52:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:4527 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-07-2022 / AWB- 21_5058</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:4527:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WIB</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:4527:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 21/5058 WIB</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 28 juli 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser, </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister), verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 oktober 2021 (bestreden besluit) van de minister over het niet verlenen aan hem van een ontheffing van de inburgeringsplicht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 28 juli 2022. Eiser is verschenen. De minister is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen </title>
    <para>Eiser is afkomstig uit Irak, sinds 2006 in Nederland en werkzaam in een pizzeria. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is op 10 augustus 2016 door de minister inburgeringsplichtig verklaard. Eiser diende uiterlijk 4 september 2019 te zijn ingeburgerd. Omdat hij toen niet was ingeburgerd is hem een boete van € 1.250,- opgelegd en ook een extra termijn van 2 jaar, tot en met </para>
      <para>4 oktober 2021, gegeven om in te burgeren. Deze termijn is uiteindelijk verlengd tot en met 4 augustus 2022. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft van 9 juni 2008 tot 22 november 2010 810 uur aan alfabetiseringscursus gevolgd en verschillende examens afgelegd, maar die niet afgesloten met een voldoende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 21 april 2021 heeft eiser aan de minister verzocht om ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van aantoonbaar geleverde inspanningen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft dit verzoek afgewezen. Volgens de minister kan niet worden bepaald of eiser het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen. Eiser heeft op 12 juli 2021 een leerbaarheidstoets afgelegd. Hij heeft echter tijdens die toets niet voldoende antwoorden gegeven om te kunnen bepalen of hij het leervermogen heeft om het inburgeringsexamen te halen. Eiser voldoet daarom volgens de minister niet aan de voorwaarden voor ontheffing van de inburgeringsplicht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Hij stelt dat hij op grond van zijn capaciteiten recht heeft op ontheffing van zijn inburgeringsplicht en dat hij dat op 12 juli 2021 afdoende heeft laten zien. Eiser werd door de toetser gevraagd iets te lezen, maar toen hij aangaf dat hij dat niet kon werd de toetser boos en kon hij vertrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij later een andere toetser kreeg die geduldiger was. Inmiddels heeft hij een ontheffing van de inburgeringsplicht. Eiser heeft, ter onderbouwing, een besluit van 15 juli 2022 van de minister overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank leidt uit dat besluit af dat eiser op 5 juli 2022 (nogmaals) een leerbaarheidstoets heeft afgelegd en dat uit die toets is gebleken dat eiser niet op tijd het inburgeringsexamen kan halen. Omdat eiser genoeg heeft gedaan om in te burgeren, heeft de minister hem ontheffing van het inburgeringsexamen verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser wil  met deze beroepszaak ook ontheffing van de inburgeringsplicht bereiken. Omdat hij dat echter al heeft bereikt – hij heeft inmiddels een ontheffing en hoeft niet verder in te burgeren – heeft het geen zin het beroep inhoudelijk te beoordelen. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat dat niet inhoudelijk zal worden beoordeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. H.D. Sebel, griffier, op 28 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in staat de uitspraak mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>