<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:443</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:26:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 21_1934</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2022/131</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022030709</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-0823</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:443">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:443</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-07T11:30:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:443 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-02-2022 / AWB- 21_1934</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:443:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:443:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 21/1934 PARKBL</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak van 9 februari 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [belanghebbende] , te [woonplaats] , belanghebbende, </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para>De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met dagtekening 20 april 2021 en aanslagnummer [aanslagnummer 1] (hierna: de naheffingsaanslag).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 29 april 2021 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld op de zitting van 26 januari 2022. Belanghebbende was aanwezig. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [aanslagnummer 2] . </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feiten </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De auto met kenteken [kenteken] stond op 20 april 2021 omstreeks 09:27 uur stil op een parkeerplaats aan de [adres] in [plaats 1] . Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.<footnote-ref linkend="_05c9c379-c79e-4698-b130-71d45745615d" />Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door een parkeercontroleur met een scanauto geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.</para>
    <para />
    <para>2. Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 66,80, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,30 en € 64,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geschil </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt belanghebbende</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Belanghebbende voert aan dat hij op een gehandicaptenparkeerplaats van de [adres] wilde parkeren, omdat hij niet ver kan lopen en hij daar met zijn gehandicaptenparkeerkaart gratis kan parkeren. De twee gehandicaptenparkeerplaatsen waren echter bezet, waardoor hij in het naastgelegen parkeervak moest parkeren. Belanghebbende vindt het niet reëel dat hij een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft gekregen en de bestuurder van de auto die zonder zichtbare gehandicaptenparkeerkaart en zonder te betalen in een gehandicaptenparkeervak had geparkeerd, niet. Dit gebeurde volgens belanghebbende niet toen er nog bijzondere opsporingsambtenaren (BOA’s) rondliepen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt heffingsambtenaar</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Volgens de heffingsambtenaar is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Belanghebbende mag met zijn gehandicaptenparkeerkaart gratis parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats. In dit geval heeft hij echter geparkeerd op een betaald parkeren, dus normaal parkeervak, naast de gehandicaptenparkeerplaatsen. Voor het parkeren in een normaal parkeervak dient parkeerbelasting te worden voldaan en belanghebbende heeft dat niet betaald.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Toetsingskader van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Niet in geschil is dat belanghebbende heeft geparkeerd in een normaal parkeervak van de [adres] in [plaats 1] , dat voor het parkeren parkeerbelasting is verschuldigd en dat hij geen parkeerbelasting heeft voldaan. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank overweegt dat parkeerbelasting wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.<footnote-ref linkend="_073d9f31-0855-4e28-89a5-c0739822a112" />Deze parkeerbelasting moet worden voldaan bij aanvang van het parkeren door het in werking stellen van de parkeerautomaat of door mobiel parkeren.<footnote-ref linkend="_bd2cdb28-02fa-4fa3-8ed9-b712b628bd40" /> Slechts het in overeenstemming met de geldende voorschriften parkeren op parkeerapparatuurplaatsen gehandicapten algemeen (bord E6), met gebruik van de landelijke gehandicaptenparkeerkaart is gratis.<footnote-ref linkend="_6756a5f2-84d3-461b-8006-5d5cb2a2f056" /> Een parkeercontroleur heeft met een scanauto op basis van het kenteken geconstateerd dat belanghebbende op een normaal parkeervak geparkeerd stond en geen parkeerbelasting had voldaan. Belanghebbende heeft toegegeven dat hij niet heeft betaald. Daarmee is voldaan aan alle voorwaarden voor het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. </para>
    <para>De rechtbank stelt vast dat belanghebbende zijn standpunt dat op de gehandicaptenparkeerplaats een auto stond zonder zichtbare gehandicaptenparkeerkaart en zonder parkeerbelasting te voldoen, niet heeft onderbouwd. De heffingsambtenaar heeft ter zitting terecht opgemerkt dat aan degene die ten onrechte op een gehandicaptenparkeerplaats parkeert, een boete wegens overtreding van het RVV 1990 (Wet Mulder) kan worden opgelegd. Ook als het standpunt van belanghebbende zou worden gevolgd, kan dit hem niet baten. Daarmee wijzigt namelijk de omstandigheid niet, dat belanghebbende heeft geparkeerd op een gewone parkeerplaats zonder daarvoor parkeerbelasting te voldoen. Er is geen sprake van rechtsongelijkheid, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, omdat eenieder die op een betaald parkeren-plaats parkeert parkeerbelasting moet voldoen. Het betaald hebben van een gehandicaptenparkeerkaart is daaraan niet gelijkgesteld in de Verordening en kan daarom niet dienen ter vervanging van de verschuldigde parkeerbelasting.  </para>
    <para />
    <para>9. Uit het voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar op goede gronden een naheffingsaanslag heeft opgelegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. </para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 		 </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 9 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De rechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, </para>
      <para>5201 CZ ’s-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_05c9c379-c79e-4698-b130-71d45745615d" label="1">
    <para> Zie artikel 8 van de Verordening parkeerbelastingen Breda 2021 (hierna: de Verordening) gelezen in samenhang met het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2021 (hierna: het Aanwijzingsbesluit). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_073d9f31-0855-4e28-89a5-c0739822a112" label="2">
    <para> Zie artikel 3, eerste lid, van de Verordening.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd2cdb28-02fa-4fa3-8ed9-b712b628bd40" label="3">
    <para>Zie artikel 5, eerste lid van de Verordening.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6756a5f2-84d3-461b-8006-5d5cb2a2f056" label="4">
    <para> Zie bijlage 1, sub A, aanhef en onder 4, van de Tarieven- en kostentabel bij de Verordening. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>