<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:3530</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T18:43:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20_7579</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:temporal rdfs:label="Periode">
        <start rdfs:label="van">2015</start>
        <end rdfs:label="tot">2015</end>
      </dcterms:temporal>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2022/3148 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022071206</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-2045</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:3530">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:3530</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-08T10:29:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:3530 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-07-2022 / 20_7579</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:3530:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beschikking restant persoongebondenaftrek</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:3530:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 20/7579 </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, uit [plaats] ([land]), belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De inspecteur van de belastingdienst</emphasis>, de inspecteur,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold"> de minister van Justitie en Veiligheid</emphasis>, de minister.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 15 juni 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende bij de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2015 een beschikking niet in aanmerking genomen persoongebonden aftrek (de beschikking) afgegeven naar een bedrag van € 222.405 (aanslagnummer [aanslagnummer]).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking ongegrond verklaard. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 25 mei 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, mr. R.L. Kamphuis van VDB Advocaten Notarissen en ter bijstand D.M.A. van Didden LLM en namens de inspecteur, [inspecteur] en [inspecteur].</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende was gehuwd met mevrouw [ex-vrouw] (de ex-partner).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de echtscheiding op 28 augustus 2015 uitgesproken. De echtscheiding is op 17 september 2015 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven (de inschrijving).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Belanghebbende en de ex-partner hebben de afspraken met betrekking tot de echtscheiding vastgelegd in een echtscheidingsconvenant, waarin onder andere het volgende is opgenomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“(…)</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">7. Voor het geval in het huwelijk van partijen de echtscheiding wordt uitgesproken en de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand hebben partijen de gevolgen van de echtscheiding op de hieronder omschreven wijze met elkaar geregeld.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">De man koopt de alimentatie die hij met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk aan de vrouw verschuldigd zal zijn af door storting van een afkoopsom ten bedrage van € 480.000,00 op een door de vrouw aan te wijzen bankrekening.</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">De man zal uiterlijk 1 juli 2015 aan de vrouw een eerste betaling van € 150.000,00 bruto voldoen.</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het resterende bedrag, € 330.000,00 zal door de man worden voldaan uiterlijk ter gelegenheid van het passeren van de notariële akte door middel waarvan partijen de eigendom van de voormalige echtelijke woning overdragen aan de koper.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ter zake van de verdeling c.q.. verrekening zoals tussen partijen in dit convenant overeengekomen heeft de vrouw van de man nog tegoed een bedrag van € 480.400,00 te vermeerderen met € 480.000,00 hetgeen de man ter zake van de partneralimentatieafkoopsom aan de vrouw verschuldigd is.</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">In totaal is de man aan de vrouw verschuldigd € 960.400,00.</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Door de man zal € 150.000,00 voldaan worden uiterlijk op 1 juli 2015 overeenkomstig hetgeen partijen in artikel 2.3 van dit convenant met elkaar zijn overeengekomen. Het resterende bedrag, € 810.400,00 zal door de man voldaan worden uiterlijk ter gelegenheid van het passeren van de notariële leveringsakte door middel waarvan partijen de eigendom van de voormalige echtelijke woning overdragen aan de koper.(…)”</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op 16 juni 2015 een bedrag van € 150.000 naar de ex-partner overgemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij het passeren van de notariële leveringsakte van de woning op 28 december 2015 heeft de ex-partner een bedrag van € 330.000 ontvangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2015 ingediend en heeft daarbij onder andere persoonsgebonden aftrek ter zake van uitgaven voor betaalde alimentatie in aftrek gebracht ten bedrage van € 500.418.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De inspecteur is bij het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV 2015 afgeweken van de ingediende aangifte. De aftrek in verband met de uitgaven voor betaalde alimentatie is gecorrigeerd naar € 350.418. De inspecteur heeft daarbij de beschikking afgegeven ten bedrage van € 222.405.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geschil en oordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de beschikking naar het juiste bedrag heeft vastgesteld. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek voor een bedrag van € 150.000.  Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de beschikking onjuist heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft recht op een hoger bedrag aan niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek voor een bedrag van € 150.000. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Artikel 6.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) luidt, voor zover hier van belang, als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“1. Onderhoudsverplichtingen zijn:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">b. afkoopsommen van dergelijke uitkeringen of verstrekkingen die worden gedaan aan de gewezen echtgenoot;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)”</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 6.40 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“1. Voorzover in deze wet niet anders is bepaald, komen uitgaven ter zake van persoonsgebonden aftrekposten voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij zijn:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">a. betaald;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">b. verrekend;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">c. ter beschikking gesteld of</emphasis>
      </para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">d rentedragend geworden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft (onder meer) betoogd pas op het moment van de inschrijving de alimentatieverplichting ontstaat. De overboeking die voor de echtscheiding is verricht is vervolgens verrekend met deze verplichting. Volgens belanghebbende bestaat om die reden recht op aftrek.  De inspecteur bestrijdt dat en voert aan dat de betaling is verricht vóór de inschrijving zodat geen recht bestaat op aftrek. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen staat vast dat de totale verplichting inzake de afkoop van partneralimentatie van belanghebbende aan de ex-partner een bedrag van € 480.000 omvat en dat die verplichting in het jaar 2015 is voldaan. Ter zitting heeft de inspecteur aan zijn standpunt toegevoegd dat het recht op partneralimentatie dan wel de verplichting tot verstrekking van partneralimentatie pas ontstaat op het moment van de inschrijving.  Ook heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat in dit geval de overboeking van € 150.000 niet is gedaan ten titel van partneralimentatie. Gelet hierop verschilt de onderhavige casus van die uit de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 28 juli 2005<footnote-ref linkend="_7cd0d6c8-d5d4-41b9-ab22-e9bae3ae6daa" /> waarnaar de inspecteur heeft verwezen. Daar was immers niet in geschil dat sprake was van alimentatie op het moment van de betaling.</para>
        <para>	Gelet op de aangevoerde standpunten staat vast dat belanghebbende na de inschrijving ter afkoop van de partneralimentatie een verplichting tot betaling van € 480.000 aan de ex-partner heeft. Pas op dat moment is dus de verplichting ontstaan die als persoonsgebonden aftrekpost kwalificeert. Voor dat geval volgt de rechtbank belanghebbendes stelling dat de overboeking van € 150.000 is verrekend met die verplichting, mede gelet op het feit dat de volledige verplichting in 2015 is voldaan. Die verrekening heeft plaatsgevonden na de inschrijving, zodat daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor aftrek.<footnote-ref linkend="_82c0e3b6-35ff-480a-b5a0-8872d750d0a4" /> Immers is het niet mogelijk om op grond van artikel 6.40 van de Wet IB 2001 een eerder tijdstip van aftrek te constateren aangezien de verplichting die leidt tot de aftrek pas is ontstaan na de inschrijving. Belanghebbende heeft dan recht op een hogere aftrek in verband met uitgaven voor alimentatie voor een bedrag van € 150.000. De overige in dat kader aangevoerde gronden behoeven geen behandeling.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Immateriële schadevergoeding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn. Gelet op de uitgangspunten in de jurisprudentie is hier sprake van een overschrijding met acht maanden van de redelijke behandeltermijn van twee jaar. Immers is op 25 november 2019 het bezwaarschrift ontvangen en doet de rechtbank op 6 juli 2022 uitspraak. Er zijn verder geen omstandigheden gesteld of gebleken die de redelijke behandeltermijn moeten verkorten of verlengen. Belanghebbende heeft dan ook recht op een vergoeding van € 1.000. Van de acht maanden waarmee de redelijke termijn is overschreden, moet één maand worden toegerekend aan de bezwaarfase (het tijdsverloop waarmee de voor de bezwaarfase als redelijk aan te merken termijn is overschreden) en het restant, derhalve zeven maanden, aan de beroepsfase. De toe te kennen immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedraagt daarom € 125 (1/8 van € 1.000), te betalen door de inspecteur en € 875 (7/8 van € 1.000), te betalen door de minister. De rechtbank heeft de minister in zoverre aangemerkt als partij in dit geding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de inspecteur de beschikking onjuist heeft vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en stelt de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vast op € 372.405,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.056,- omdat de gemachtigde van belanghebbende bijstand in de bezwaarfase heeft verleend (het indienen van een bezwaarschrift en het bijwonen van een hoorzitting), een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak op bezwaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek dient te worden vastgesteld op € 372.405,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 125,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 875,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 48,- aan belanghebbende moet vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.056,- aan proceskosten aan belanghebbende.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Krishnapillai, griffier, op 6 juli 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De rechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, </para>
      <para>5201 CZ ’s-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.<?linebreak?>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:<?linebreak?> 	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <parablock>
      <para>	b. een dagtekening;</para>
      <para> 	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
      <para> 	d. de gronden van het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_7cd0d6c8-d5d4-41b9-ab22-e9bae3ae6daa" label="1">
    <para> Hof Amsterdam 28 juli 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0596.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_82c0e3b6-35ff-480a-b5a0-8872d750d0a4" label="2">
    <para> Artikel 6.3, eerste lid onderdeel b van de Wet IB 2001.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>