<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:2424</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-09T13:08:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/396837 / HARK 22-85</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:2424">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:2424</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-09T12:44:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:2424 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-05-2022 / C/02/396837 / HARK 22-85</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:2424:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>“Verzoeker niet-ontvankelijk in verzoek tot wraking. Verzoek acht dagen na mondelinge behandeling ingediend. Verzoek gebaseerd op ervaringen met rechter in het verleden. Bovendien is verzoeker reeds op 1 maart 2022 al geïnformeerd over behandeling door deze rechter. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat verzoeker te laat is met indiening van zijn wrakingsverzoek, nu het verzoek niet is gedaan zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. Van bijzondere feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen is niet gebleken.”</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:2424:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>beschikking</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rekestnummer: C/02/396837 / HA RK 22-85</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing van 3 mei 2022 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
        <?linebreak?>wonende op een bij de rechtbank bekend adres, <?linebreak?>verder te noemen verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    <para>- de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de zaak met zaaknummer C/02/358284 / FA RK 19-2327;</para>
    <para>- het wrakingsverzoek van verzoeker, gestuurd per e-mailbericht van 20 april 2022;</para>
    <para>- het e-mailbericht van de rechter van 21 april 2022.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verzoek strekt tot wraking van mr. [voorletter(s)] Dijkman, hierna te noemen de rechter, als behandelend rechter van de zaak met kenmerk C/02/358284 / FA RK 19-2327.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelt, op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Voordat tot inhoudelijke behandeling van het verzoek kan worden overgegaan dient te worden beoordeeld of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan. Voor de indiening van het verzoek tot wraking geldt ingevolge het eerste lid van artikel 37 Rv dat dit verzoek moet worden gedaan zodra de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De mondelinge behandeling in de procedure met kenmerk FA RK 19-2327 heeft plaatsgevonden op 12 april 2022. Verzoeker heeft echter zijn verzoek tot wraking pas op 20 april 2022 ingediend, zijnde acht dagen na die mondelinge behandeling. In de wetsgeschiedenis van artikel 37, eerste lid, Rv (MvT, <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1999/00, 26 855, nr. 3, p. 66) staat in dit kader dat een wrakingsverzoek kan worden ingediend in elke stand van het geding, dus ook nog na afloop van de behandeling, tot het moment dat de beslissing is gegeven. Het is namelijk zeer wel mogelijk dat feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden pas blijken na afloop van de behandeling. Verzoeker heeft zijn verzoek echter gegrond op ervaringen met de rechter uit het verleden. Hij heeft geen nadere feiten en omstandigheden aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd die zich hebben voorgedaan tijdens of na afloop van de behandeling van de zaak. Verzoeker heeft daarmee ook geen verschoonbare redenen aangevoerd waarom pas acht dagen na de mondelinge behandeling door hem een wrakingsverzoek is ingediend. Bovendien is verzoeker reeds op 1 maart 2022 via de oproepbrief voor de mondelinge behandeling geïnformeerd dat mr. Dijkman de behandelend rechter zal zijn. Al op dat moment was hij bekend met de feiten en/of omstandigheden waarin hij nu aanleiding heeft gezien om een verzoek tot wraking in te dienen. Verzoeker heeft zodoende ruimschoots de tijd gehad om reeds eerder in de procedure zijn verzoek tot wraking in te dienen, maar hiertoe is hij niet over gegaan. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat verzoeker te laat is met indiening van zijn wrakingsverzoek, nu het verzoek niet is gedaan zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. Van bijzondere feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen is niet gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Op grond van het vorenstaande zal de wrakingskamer van de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 3 mei 2022 door mrs. M.J.L. Holierhoek, E.K. van der Lende-Mulder Smit en B.J. Duinhof, in tegenwoordigheid van mr. K.M.P. van Ginneke, griffier, en in het openbaar uitgesproken.</para>
      <para>KG</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>