<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:2332</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-20T10:53:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 22_2184 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:2332">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:2332</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-20T10:53:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:2332 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-04-2022 / AWB- 22_2184 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:2332:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opleggen van drie lasten onder dwangsom</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:2332:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 22/2184 GEMWT VV</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 28 april 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2] , te [woonplaats verzoekers] , verzoekers,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: J.G.C.B. van Ginneken,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen</emphasis>, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde mr. F.A. Pommer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 maart 2022 (bestreden besluit) van het college over het opleggen van drie lasten onder dwangsom. Zij hebben daarnaast de voorzieningenrechter op 20 april 2022 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
    <para />
    <para>2. In het bestreden besluit van 21 maart 2022 staat dat het college verzoekers onder dwangsom gelast om:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1) uiterlijk <emphasis role="underline">binnen drie maanden</emphasis> na de dagtekening van dit besluit de bewoning van de</para>
      <para>wooneenheden aan de [straatnaam] 1, 3 en 5 te (doen) beëindigen en beëindigd te (doen)</para>
      <para>houden, in combinatie met het (laten) ontdoen van de laatstbedoelde woonunits van zaken</para>
      <para>en voorzieningen die deze geschikt maken voor zelfstandige bewoning, waaronder in het</para>
      <para>bijzonder de keuken- en sanitaire voorzieningen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,- ineens;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2) uiterlijk <emphasis role="underline">binnen twee maanden</emphasis> het gebruik voor het aan huis gebonden bedrijf— d.w.z. de</para>
      <para>kapsalon/schoonheidssalon —terug te (doen) brengen en teruggebracht te (doen) houden</para>
      <para>tot een (gebruiks-)oppervlakte van maximaal 60 m2, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,- ineens;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3) uiterlijk <emphasis role="underline">binnen twee maanden</emphasis> het gebruik van een gedeelte van het pand als PostNL</para>
      <para>distributiecentrum te (doen) beëindigen en beëindigd te (doen) houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- ineens.</para>
      <para>De voorzieningenrechter stelt vast dat de begunstigingstermijn van de eerste last eindigt op 21 juni 2022 en dat de begunstigingstermijn van de tweede en de derde last eindigt op 21 mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank heeft na ontvangst van het verzoek contact opgenomen met de gemachtigde van het college met de vraag of het college bereid is om de uitspraak van de voorzieningenrechter af te wachten. Het college was daar, om hem moverende redenen, niet toe bereid. De gemachtigde van het college heeft echter zoveel verhinderdagen opgegeven dat een behandeling ter zitting van de voorzieningenrechter vóór 21 mei 2022 vrijwel onmogelijk is.</para>
    <para />
    <para>4. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter op deze korte termijn niet in staat om een weloverwogen oordeel te geven over het verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter de werking van het bestreden besluit bij ordemaatregel schorsen tot uiterlijk één week na de zitting waarop het verzoek zal worden behandeld. Dat betekent dat tot die tijd geen dwangsommen worden verbeurd. </para>
    <para>Het verzoek zal spoedig op zitting worden behandeld. Deze ordemaatregel heeft een voorlopig karakter en de voorzieningenrechter is daar in de verdere procedure niet aan gebonden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter schorst de werking van het besluit van 21 maart 2022 tot uiterlijk één week na de zitting waarop het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden behandeld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 28 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>