<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:2308</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-04T13:05:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 22_2057 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:2308">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:2308</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-04T13:04:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:2308 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-04-2022 / AWB- 22_2057 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:2308:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekken en terugvorderen bijstandsuitkering (PW)</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:2308:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 22/2057 PW VV </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 26 april 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">
            [naam verzoekster],</emphasis> te [woonplaats verzoekster], verzoekster,</para>
        <para>gemachtigde: mr. J.A.M. van Weely,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <bridgehead role="bold">het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 januari 2022 van Baanbrekers (bestreden besluit) inzake de intrekking en terugvordering van haar uitkering op grond van de Participatiewet. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Het gaat in deze zaak om een intrekking van de uitkering over een afgesloten periode in het verleden. Verzoekster werkt op dit moment en heeft geen (aanvullende) bijstandsuitkering meer. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de stukken blijkt dat Baanbrekers in afwachting van de beroepsprocedure akkoord gaat met een betalingsregeling van € 54,49 per maand. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De griffier heeft bij brief van 12 april 2022 aan verzoekster gevraagd een toelichting te geven op het spoedeisend belang. In deze brief is verzocht om in ieder geval te onderbouwen waarom het niet mogelijk is voor verzoekster om deze betalingsregeling na te komen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 19 april 2022 heeft verzoekster toegelicht waarom zij van mening is een spoedeisend belang te hebben. Ter onderbouwing van deze toelichting heeft zij een aantal stukken, waaronder loonstroken en bankafschriften, overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Uit de toelichting en de overgelegde stukken blijkt dat verzoekster een netto-inkomen, inclusief toeslagen, ontvangt van ruim € 1.600,00 per maand. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat verzoekster niet in staat is om maandelijks een bedrag van € 54,59 te betalen. Hierbij is ook betrokken dat verzoekster, zoals blijkt uit de bankafschriften, begin april nog een positief saldo op haar bankrekening heeft van € 484,88. Verzoekster heeft ook verder niet toegelicht waarom het voor haar niet mogelijk is maandelijks een bedrag van € 54,59 af te lossen. De voorzieningenrechter laat daarbij nog in het midden of verzoekster ook over het bedrag van 325,-- kan beschikken dat maandelijks door haar ex-echtgenoot aan haar wordt overgemaakt. </para>
    <para />
    <para>5. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat </para>
    <para>onvoldoende is gebleken dat verzoekster een spoedeisend belang heeft. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 26 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>