<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:1710</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-08T08:02:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 20_8707</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1710">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1710</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-06T14:05:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:1710 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-04-2022 / AWB- 20_8707</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1710:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WAO</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1710:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 20/8707 WAO</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 5 april 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser, </bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. C. Buitelaar,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen </emphasis>(UWV; kantoor Breda), verweerder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 26 augustus 2020 (bestreden besluit) van het UWV inzake de herziening van zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 22 februari 2022. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen </title>
    <para>1.	<emphasis role="italic">Feiten</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is werkzaam geweest als algemeen reserve. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege gezondheidsklachten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtsvoorganger van het UWV -het GAK- heeft aan eiser een WAO-uitkering toegekend met ingang van 18 januari 2001. Voorafgaand aan de herziening werd de uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 februari 2020 (primair besluit) heeft het UWV de WAO-uitkering van eiser herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65% met ingang van 7 april 2020. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.	<emphasis role="italic">Omvang geschil</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geschil is of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 7 april 2020 heeft vastgesteld op 55 tot 65%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.	<emphasis role="italic">Wettelijk kader</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke gezonde personen met arbeid gewoonlijk verdienen (artikel 18 van de WAO). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van belang is dan ook:</para>
    </parablock>
    <para>- of eiser medische beperkingen heeft en</para>
    <para>- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Medische beoordeling</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&amp;b) van het UWV.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De verzekeringsarts heeft het dossier van eiser bestudeerd en eiser gezien op het spreekuur. Volgens de verzekeringsarts is voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een stoornis waardoor er beperkingen bestaan in het uitvoeren van activiteiten. Er is echter geen indicatie om aan te nemen dat er bij eiser sprake is van een toestand zonder enige mogelijkheden. Tijdens het spreekuur is er ook geen algehele inactiviteit naar voren gekomen. De verzekeringsarts acht de beperkingen van eisers belastbaarheid aannemelijk maar ziet ook resterende functionele mogelijkheden. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn door de verzekeringsarts neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 januari 2020. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verzekeringsarts b&amp;b heeft eveneens het dossier van eiser bestudeerd. Verder heeft hij eiser telefonisch gehoord en heeft hij informatie opgevraagd bij de huisarts van eiser. Door de verzekeringsarts b&amp;b is gerapporteerd dat uit de informatie van de huisarts niet blijkt dat op de datum in geding sprake is van een ernstigere medische situatie dan waar eerder vanuit werd gegaan, of van ernstigere beperkingen. In de FML is met de verschillende beperkingen vanuit de actuele fysieke problematiek en de klachten als gevolg van staar rekening gehouden. Eisers standpunt dat de beperkingen zijn onderschat, wordt door de verzekeringsarts b&amp;b dan ook niet gevolgd. De conclusie van de verzekeringsarts b&amp;b is dat de beperkingen door de verzekeringsarts juist zijn vastgelegd in de FML van 23 januari 2020.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij heeft meer en ernstiger (medische) beperkingen dan door de verzekeringsartsen is aangenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder artroseklachten aan de heupen, polsen, schouder en rug en chronische lymfatische leukemie. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van deze klachten rekening gehouden.</para>
        <para>Eiser heeft in beroep geen informatie overgelegd die de rechtbank aanleiding geeft om te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om eiser te volgen in zijn stelling dat zijn beperkingen zijn onderschat, nu deze stelling op geen enkele wijze nader door hem is onderbouwd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daarom gaat de rechtbank voor de verdere beoordeling uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 23 januari 2020.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5.	<emphasis role="italic">Geschiktheid voor de functies</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: receptionist (Sbc-code 315120), commercieel administratief medewerker (Sbc-code 516110) en telefonist (centrale)/medewerker callcenter (outbound) (Sbc-code 315174). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat de voor eiser geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. De rechtbank verwijst naar het rapport van de arbeidsdeskundige. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De hiervoor genoemde functies mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6.	<emphasis role="italic">Mate van arbeidsongeschiktheid </emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 55,18%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 7 april 2020 heeft vastgesteld op 55,18% en eiser heeft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7.		<emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, is er geen reden om een proceskostenveroordeling uit te spreken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 5 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>