<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:1664</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-21T13:16:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">05-192624-21 ontneming</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1664">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1664</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-04T11:37:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:1664 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-04-2022 / 05-192624-21 ontneming</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1664:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Oplichting. Vastgesteld op nihil omdat toegewezen vordering BP het wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1664:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 05/192624-21</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de rechtbank van 5 april 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de ontnemingszaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [betrokkene] , </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] , </para>
      <para>wonende te [adres] . </para>
      <para>raadsvrouw mr. W.M. Shreki, advocaat te Rotterdam. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Willemsen wordt hierna aangeduid als betrokkene. </para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para>Betrokkene is op 5 april 2022 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld voor onder meer de oplichting van het Ministerie van Defensie tot de in die uitspraak vermelde straf en tot betaling van schadevergoeding aan het Ministerie van Defensie.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 maart 2022, waarbij de officier van justitie mr. P.A. de Boer en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.</para>
      <para>De officier van justitie heeft daarbij de vordering gewijzigd tot een ontnemingsbedrag van     € 597.700,96.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het standpunt van de officier van justitie</title>
    <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van het Ministerie van Defensie. Betrokkene heeft daarmee een voordeel behaald ter hoogte van het hiervoor genoemde bedrag. Dit bedrag is gebaseerd op het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict’ (het rapport) van de Koninklijke Marechaussee van 31 augustus 2020 en de ter zitting gemaakte correcties op de berekening.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het standpunt van de verdediging</title>
    <para>De verdediging wijst erop dat het gevorderde ontnemingsbedrag niet overeenkomt met de hoogte van de schadevergoedingsvordering die het Ministerie van Defensie als benadeelde partij heeft ingediend in de hoofdzaak. Op het totaal van de factuurbedragen die door het Ministerie van Defensie zijn betaald, moet daarnaast het wederrechtelijk verkregen voordeel dat [naam] heeft genoten in mindering worden gebracht, evenals de gemaakte kosten en de afgedragen btw.  </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het oordeel van de rechtbank </title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
        </para>
        <para>In het rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel na aftrek van bedrijfskosten berekend op € 554.309,93. In de hoofdzaak is overwogen dat een bedrag van € 101.382,69 aan btw is betaald. Dit bedrag aan afgedragen btw is in het rapport niet meegenomen, zodat dit alsnog in mindering moet worden gebracht. Uit het vonnis in de hoofdzaak van [naam] volgt dat zij het bedrag van € 29.212,94 heeft behouden, naar aanleiding van een van de oplichtingsfeiten gepleegd door betrokkene, waaraan [naam] medeplichtig is. Nu dit bedrag niet naar betrokkene is gegaan, moet naar het oordeel van de rechtbank ook dit in mindering worden gebracht bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, neergelegd in het rapport, onvolledig is. Het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt, na aftrek van de hiervoor genoemde bedragen, € 423.714,30.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat bij bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht. In dit geval is betrokkene in de hoofdzaak verplicht tot betaling van een schadevergoeding aan het Ministerie van Defensie ten bedrage van € 446.774,70 Dit bedrag overstijgt het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel, waardoor het voordeel voor verdachte onder aan de streep negatief is. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Vaststelling ontnemingsbedrag</emphasis>
        </para>
        <para>Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het terug te betalen bedrag vaststellen op € 0,-.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para>De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <para>- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op <emphasis role="bold">nihil</emphasis>.</para>
    <para />
    <para>- legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van <emphasis role="bold">€ 0</emphasis>,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. P.A.M. Wijffels en </para>
      <para>mr. M.J. Schouw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. de Haas, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>