<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:1576</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-08T09:42:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 19/2314</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:temporal rdfs:label="Periode">
        <start rdfs:label="van">2012</start>
        <end rdfs:label="tot">2012</end>
      </dcterms:temporal>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1576">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1576</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-06T14:48:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:1576 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-04-2022 / AWB 19/2314</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1576:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1576:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</title>
    <para>Belastingrecht, meervoudige kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer BRE 19/2314</para>
      <para>uitspraak van 6 april 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a in verbinding met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [belanghebbende] , wonende te [plaats] ,</title>
    <para>belanghebbende,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst,</title>
    <para>de inspecteur.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Betreft</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek van belanghebbende op grond van artikel 8:75a Awb om de inspecteur te veroordelen in de proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Motivering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van proceskosten in verband met de intrekking van het beroep betreffende de voor het jaar 2012 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting en de bij beschikking opgelegde boete. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft meegedeeld dat proceskosten kunnen worden vergoed op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>1.3.1.</nr>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaak in bezwaar samenhangt in de zin van artikel 3, lid 2, Bbp met de zaken met nummers 19/2315 tot en met 19/2317, in totaal 4 zaken. Die 4 zaken hebben betrekking op naheffingsaanslagen omzetbelasting die aan belanghebbende en [vof] zijn opgelegd. Dit betreffen bezwaren die gelijktijdig zijn behandeld en waarvan de werkzaamheden nagenoeg identiek konden zijn en de bestreden besluiten (gedeeltelijk) zijn herroepen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.3.2.</nr>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaak in beroep samenhangt in de zin van artikel 3, lid 2, Bbp met de zaken met nummers 18/7490 tot en met 18/7494, nummers 18/7821 tot en met 18/7828, nummers 18/7829 tot en met 18/7836 en nummers 19/2315 en 19/2317, in totaal 24 zaken. Dit betreffen beroepen die gelijktijdig zijn behandeld en waarvan de werkzaamheden nagenoeg konden identiek zijn en de beroepen in die zaken zijn gegrond verklaard.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.4.1.</nr>
        <para>Voor de bezwaarfase stelt de rechtbank vast dat de vergoeding die in totaal voor de 4 samenhangende zaken dient te worden toegekend lager is dan hetgeen in de bezwaarfase al is toegekend (€ 254 plus € 381). De rechtbank laat daarom de beslissing van de inspecteur over de proceskostenvergoeding in stand.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.4.2.</nr>
        <para>Voor de beroepsfase stelt de rechtbank de vergoeding vast op € 1.138,50 (1 punt wegens rechtsbijstand tijdens de zitting à € 759, een factor 1 wegens het gewicht van de zaken en een factor 1,5 wegens samenhang). Deze vergoeding wordt toegekend voor alle beroepen die tegelijkertijd zijn behandeld. Aan de onderhavige beroepen wordt daarvan 1/5 toegekend, zijnde € 227,70. De overige delen worden toegekend aan [BV] (nummers 18/7490 tot en met 18/7494), [persoon] (nummers 18/7821 tot en met 18/7828), belanghebbende (nummers 18/7829 tot en met 18/7836) en [vof] (nummers 19/2315 en 19/2317).</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Voor toekenning van een vergoeding voor overige proceshandelingen ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat deze handelingen, bestaande uit het opstellen van de schriftelijke processtukken, door [persoon] zijn verricht en dus niet door de rechtsbijstandverlener (zie HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439, BNB 2017/109).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft voor de behandeling voor de rechtbank € 174 griffierecht betaald. De wet biedt niet de mogelijkheid om in deze procedure de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van griffierecht. De inspecteur moet dat echter wel uit zichzelf doen (artikel 8:41, lid 7, Awb).</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- laat de beslissing van de inspecteur over de kostenvergoeding in bezwaar in stand; en</para>
    <para>- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 227,70.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door A. van Dongen, voorzitter, Chr.Th.P.M. Zandhuis en T.A. de Hek, rechters, in aanwezigheid van N. Veenstra, griffier, op 6 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>N. Veenstra					A. van Dongen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 8:55, derde lid en artikel 8:106, eerste lid Awb).</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>