<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:1556</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-01T08:01:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 21_3838</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1556">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1556</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-31T14:06:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:1556 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-03-2022 / AWB- 21_3838</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1556:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>GEMWT V</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1556:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 21/3838 GEMWT V</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 29 maart 2022 van de enkelvoudige kamer op het verzet van</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam opposant 1] </emphasis>en <emphasis role="bold">[naam opposant 2]</emphasis>, te [plaatsnaam] , opposanten, </para>
      <para>gemachtigde: mr. J.A. de Boe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para>Opposanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen (verweerder) op hun bezwaar van 25 mei 2021 gericht tegen de besluiten van 13 april 2021 om niet handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning aan de [adres] 33 te [plaatsnaam] door arbeidsmigranten. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 7 december 2021 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzet is ter zitting behandeld in Middelburg op 18 maart 2022. Opposanten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger 1] , mr. S. Abdullah en [naam vertegenwoordiger 2] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para>1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van opposanten. </para>
    <para />
    <para>2. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is. </para>
    <para />
    <para>3. Opposanten voeren tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat er sprake is van schending van het recht op hoor en wederhoor, omdat de rechtbank niet binnen de termijn van acht weken, als bedoeld in artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb, uitspraak heeft gedaan. </para>
    <para>Hierdoor is het beroep ten onrechte kennelijk afgedaan. Als het beroep op zitting was behandeld, had vastgesteld kunnen worden dat er door verweerder onjuiste informatie is verstrekt en dat verweerder daarmee misbruik van procesrecht heeft gemaakt. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of opposanten een procesbelang hebben bij deze verzetprocedure. Volgens vaste jurisprudentie heeft de indiener van een rechtsmiddel geen belang daarbij, als het aanwenden van het rechtsmiddel hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep was gericht tegen het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op het bezwaar van opposanten van 25 mei 2021. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 7 december 2021 het beroep kennelijk gegrond verklaard, verweerder opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken, een dwangsom opgelegd voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt en de door verweerder te betalen dwangsom vastgesteld op € 1.442,-. Daarnaast is bepaald dat verweerder het betaalde griffierecht aan opposanten dient te vergoeden en is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van opposanten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposanten hebben met het aanwenden van verzet geen gronden aangevoerd waarmee opposanten in een betere positie kunnen komen met betrekking tot het ingestelde beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het betoog van opposanten dat in de uitspraak van de rechtbank niet expliciet is ingegaan op het standpunt dat verweerder misbruik van recht heeft gemaakt, is onvoldoende om procesbelang aan te nemen nu dat het dictum van de uitspraak niet anders zou maken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Het verzet is niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft. </para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, verzetrechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 29 maart 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>