<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:1357</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-18T13:25:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02/141893-21 en 96/263240-20 (TUL)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1357">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1357</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-18T10:15:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:1357 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-03-2022 / 02/141893-21 en 96/263240-20 (TUL)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1357:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mishandeling door vuistslag in het gezicht. Beroep op noodweerexces verworpen, mede gelet op zelf opzoeken van de confrontatie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1357:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummers: 02/141893-21 en 96/263240-20 (TUL)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de meervoudige kamer van 18 maart 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>wonende te [adres verdachte] , </para>
      <para>raadsvrouw mr. A.C.M. Tönis, advocaat te Breda.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <parablock>
      <para>De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 maart 2022, waarbij de officier van justitie mr. T. Kint en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.</para>
      <para>Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <para>De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De voorvragen</title>
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is geldig. </para>
      <para>De rechtbank is bevoegd. </para>
      <para>De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. </para>
      <para>Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft mishandeld door hem eenmaal tegen het gezicht te stompen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte, de aangifte van [slachtoffer] en de medische verklaring en de foto’s van het letsel van het slachtoffer.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van het onderdeel zwaar lichamelijk letsel.  </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>4.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bewijsmiddelen</emphasis>
          </para>
          <para>De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het door verdachte toegebrachte letsel bij [slachtoffer] , te weten een snee in de bovenlip, als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt, omdat hetgeen de rechtbank uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de aard van het letsel en het uitzicht op herstel daarvoor ontoereikend is. De verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De bewezenverklaring</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">op 30 mei 2021 te Zundert, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] eenmaal tegen het gezicht te stompen, terwijl het feit enig letsel ten gevolge heeft gehad.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door het onmiddellijk dreigend gevaar voor de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie waarin verdachte zich had moeten verdedigen. Het beroep op noodweerexces dient daarom te worden verworpen. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verdachte zat in de avond van 30 mei 2021 samen met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en [slachtoffer] te drinken in de stacaravan bij [naam 1] . Verdachte heeft verklaard dat hij die avond ongeveer 20 bier had gedronken. Verdachte en [medeverdachte] raakten in conflict met [slachtoffer] over een incident waarbij ook [naam 2] (hierna: [naam 2] ) betrokken zou zijn geweest. Verdachte heeft verklaard boos te zijn op [slachtoffer] en [naam 2] omdat zij kinderporno zouden bekijken. Verdachte en [medeverdachte] besloten om verhaal te gaan halen bij [naam 2] . Midden in de nacht dwongen zij [slachtoffer] om mee te gaan naar de stacaravan van [naam 2] . Onderweg naar die stacaravan werd [slachtoffer] door [medeverdachte] geslagen. Op het moment dat ze bij de stacaravan van [naam 2] aankwamen, werd [slachtoffer] door verdachte en [medeverdachte] gedwongen om met hen de stacaravan van [naam 2] in te gaan. In de stacaravan maakte [medeverdachte] met een mes stekende bewegingen in de richting van [naam 2] . [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem vervolgens hard met een vuist tegen zijn gezicht sloeg. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de confrontatie met [slachtoffer] gericht, dat het niet anders kan dan dat verdachte willens en wetens de aanval heeft gezocht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Voor de verklaring van verdachte, inhoudende dat [slachtoffer] zich tegenover hem agressief heeft gedragen, bevat het dossier geen enkel aanknopingspunt. Het verweer wordt verworpen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Ook het feit is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafoplegging</title>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De vordering van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek van de duur van het voorarrest. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging verzoekt een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel te vermeerderen met de oplegging van een geldboete.  </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Op de camping waar verdachte verbleef is een conflict ontstaan tussen - onder andere - verdachte en slachtoffer. Verdachte besloot om, onder invloed van alcohol, ‘verhaal te gaan halen’. Verdachte dwong het slachtoffer om mee te lopen naar een stacaravan van een ander. Eenmaal in die stacaravan sloeg verdachte het slachtoffer met een vuist in het gezicht, waardoor hij een behoorlijke snee heeft opgelopen in zijn bovenlip.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor het slachtoffer moet het een bedreigende situatie zijn geweest. Verdachte stelt weliswaar  boos te zijn geweest op het slachtoffer, maar de manier waarop hij de situatie heeft aangepakt valt op geen enkele wijze te rechtvaardigen en lost bovendien niets op. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens de LOVS-richtlijnen is voor een mishandeling in beginsel een geldboete van </para>
        <para>€ 750,- passend. Gelet echter op de feiten en omstandigheden waaronder de mishandeling heeft plaatsgevonden ziet de rechtbank reden om van dit uitgangspunt af te wijken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 40 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De vordering tot tenuitvoerlegging</title>
    <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 23 maart 2021, ten uitvoer zal worden gelegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para>De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;</para>
    <para>- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafbaarheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:</para>
    <bridgehead role="bold">mishandeling;</bridgehead>
    <para />
    <para>- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafoplegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verdachte tot <emphasis role="bold">een taakstraf van 40 uren</emphasis>;</para>
    <para />
    <para>- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, <emphasis role="bold">vervangende hechtenis</emphasis> zal worden toegepast van <emphasis role="bold">20 dagen</emphasis>;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uren per dag;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voorlopige hechtenis</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vordering tenuitvoerlegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 23 maart 2021 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 96/263240-20 <emphasis role="bold">ten uitvoer zal worden gelegd</emphasis>, te weten: <emphasis role="bold">1 week gevangenisstraf</emphasis>.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. B.A.S.E. Maandag, voorzitter, mr. M. van de Wetering en mr. J.C.A.M. Los, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>