<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:1097</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-17T14:08:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 22_1294 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1097">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1097</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-17T14:07:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:1097 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-03-2022 / AWB- 22_1294 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1097:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek over het vaststellen van andere sluitingstijden voor de duur van drie maanden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1097:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 22/1294  VV </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 3 maart 2022 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">J&amp;P Horeca-exploitatie B.V. </emphasis>h.o.d.n. Café Bij Moeders, te Roosendaal, verzoekster</para>
      <para>gemachtigde: P.L. Nijmeijer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de burgemeester van de gemeente Roosendaal, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 juni 2021 (bestreden besluit) over het vaststellen van andere sluitingstijden voor de duur van drie maanden. Dit beroep zal worden behandeld op de zitting van 25 april 2022. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het primaire besluit is aangegeven dat de sanctieperiode aanvangt wanneer de eet- en drinkgelegenheden weer volgens normale openingstijden geopend mogen zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 24 februari 2022 aan verzoekster medegedeeld dat de gewijzigde sluitingstijden vanaf 4 maart 2022 van kracht zijn. Daarop heeft verzoekster aan verweerder gevraagd om de ingangsdatum op te schorten totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft besloten niet akkoord te gaan met het opschorten van de sanctiedatum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarop heeft verzoekster op 3 maart 2022 aan de voorzieningenrechter verzocht een daartoe strekkende voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
    <para />
    <para>2. Verzoekster heeft haar spoedeisend belang onderbouwd met de stelling dat de sanctie gedurende drie maanden leidt tot een schade van circa € 84.000,-- tot € 143.000,--. Daar komt volgens verzoekster bij dat inmiddels de situatie buitengewoon nijpend is omdat zij de afgelopen twee jaren vanwege alle coronabeperkingen reeds forse schade heeft geleden. </para>
    <para />
    <para>3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met deze onderbouwing niet aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening. Volgens vaste rechtspraak is een financieel belang op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dit ligt anders wanneer aannemelijk is gemaakt dat een financiële noodsituatie dreigt. De sanctie houdt in dat het door haar geëxploiteerde café tot 4 juni 2022 tussen 02:00 uur en 07:00 uur gesloten moet zijn. De voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat verzoekster onevenredig financieel nadeel zal ondervinden indien zij het horecabedrijf in die periode slechts kan exploiteren van 07:00 uur tot 02:00 uur. Ondanks de gedeeltelijke sluiting resteren 19 uren per dag waarin verzoekster inkomsten kan genereren. Nu de sanctie een tijdelijk en relatief beperkt gevolg heeft, acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat het voortbestaan van het bedrijf van verzoekster in gevaar komt indien zij de uitspraak van de rechtbank moet afwachten. De voorzieningenrechter tekent hierbij aan dat ook de mogelijkheid bestaat om de rechtbank bij de behandeling van de bodemzaak te vragen om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Indien in (hoger) beroep zal blijken dat verweerder ten onrechte beperkingen heeft aangebracht in de exploitatie van het horecabedrijf staat het verzoekster vrij om aan verweerder vergoeding van eventueel gederfde inkomsten te vragen. </para>
    <para />
    <para>4. Bij het ontbreken van voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, zoals hier het geval is, bestaat slechts aanleiding voor het tóch treffen van een voorlopige voorziening indien - ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht - zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en het bestreden besluit in de hoofdzaak in stand zal blijven.  Er moet, met andere woorden, sprake zijn van een evident onrechtmatig besluit.                 De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen grond voor dat oordeel. Toezichthouders hebben in de nacht van 17 op 18 juli 2020, op 11 oktober 2020 en op 14 oktober 2020 geconstateerd dat in het door verzoekster geëxploiteerde café diverse artikelen van de Noodverordening van de Veiligheidsregio Midden en West-Brabant zijn overtreden. Eiseres heeft deze overtredingen niet betwist maar heeft onder verwijzing naar het advies van de gemeentelijke Bezwaarschriftencommissie betoogd dat de sanctie inmiddels heeft te gelden als een punitieve sanctie. Uitgangspunt van verweerder is het reparatoire karakter van de sanctie. Verweerder heeft aangegeven dat de sanctie is gebaseerd op artikel 2:30 van de APV en dat hij, anders dan de Bezwaarschriftencommissie, onderscheid maakt tussen het sluiten van een horeca-inrichting en het - in het belang van de gezondheid, veiligheid en openbare orde - tijdelijk vaststellen van andere sluitingstijden. Gelet op deze motivering kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd worden dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. </para>
    <para />
    <para>5. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal afwijzen. Gelet hierop is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 3 maart 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>E.J. Govaers, voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>