<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2022:1060</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T18:33:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 151 en 21_152</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:temporal rdfs:label="Periode">
        <start rdfs:label="van">2018</start>
        <end rdfs:label="tot">2018</end>
      </dcterms:temporal>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022031409</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-0882</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1060">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2022:1060</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-11T11:16:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2022:1060 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 02-03-2022 / AWB - 21 _ 151 en 21_152</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1060:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2022:1060:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Belastingrecht, enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummers BRE 21/151 en 21/152</para>
      <para>uitspraak van 2 maart 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De bestreden uitspraak op bezwaar </emphasis>
      </para>
      <para>De uitspraak van de inspecteur van 7 december 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2018 opgelegde:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.710 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 248 (aanslagnummer [aanslagnummer]H.86.01);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) berekend naar een bijdrage-inkomen van € 10.400 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 3 (aanslagnummer [aanslagnummer]W.86.01.4).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting </emphasis>
      </para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2022 te Breda. </para>
      <para>Aldaar is verschenen en gehoord, namens de inspecteur, [inspecteur] .</para>
      <para>Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>1</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Belanghebbende is de moeder van [kind] (het kind). Het kind is sinds 2011 budgethouder van een persoonsgebonden budget (PGB).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Volgens een door de Belastingdienst ontvangen renseignement van PGB-betalingen is in 2018 met betrekking tot de periode 1 januari tot en met 28 februari in totaal een bedrag van € 10.400 vanuit het PGB van het kind is uitbetaald aan belanghebbende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Volgens het overzicht inkomstenverhoudingen voor het jaar 2018 heeft belanghebbende in de periode 1 maart 2018 tot en met 31 december 2018 loon uit dienstbetrekking heeft genoten van het kind ten bedrage van € 26.310 (waarover € 5.907 aan loonheffing is ingehouden). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Volgens belanghebbendes rekeningafschriften zijn door haar op 16 januari, 12 februari en 8 maart 2018 PGB-betalingen ontvangen van respectievelijk € 3.900, € 3.300 en € 3.200. Deze bedragen zijn geen onderdeel van het ontvangen loon.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2018 gedaan naar een belastbaar inkomen dat als volgt is opgebouwd.</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 26.310</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Aftrek specifieke zorgkosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€   1.533 (-/-)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">Belastbaar inkomen werk en woning</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">€ 24.777</emphasis>
                </para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2018 afgeweken van de aangifte. De inspecteur heeft daarbij een bedrag van € 10.400 als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen. Daarnaast heeft de inspecteur een aanslag Zvw opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 10.400. Bij uitspraken op bezwaar zijn de aanslagen gehandhaafd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geschil</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>In geschil is of de inspecteur terecht een bedrag van € 10.400 als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking heeft genomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Op de inspecteur rust de bewijslast dat belanghebbende inkomsten heeft genoten die als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen moeten worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur voldaan aan zijn bewijslast. Uit de rekeningafschriften van belanghebbende – waarop de inspecteur zijn correctie heeft gebaseerd – blijkt immers dat belanghebbende de onder 2.5 genoemde bedragen aan PGB-betalingen heeft ontvangen die aansluiten bij het totaalbedrag van de correctie van € 10.400. De betwisting door belanghebbende onder verwijzing naar haar rekeningafschriften kunnen haar niet helpen, nu juist daaruit blijkt dat zij die bedragen heeft ontvangen. De inspecteur heeft dan ook terecht bij de aanslagen IB/PVV en Zvw een resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Krishnapillai, griffier, op 2 maart 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier,	De rechter,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>&lt;de griffier is verhinderd<?linebreak?>de uitspraak te ondertekenen&gt;</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, </para>
        <para>5201 CZ ’s-Hertogenbosch.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
      </parablock>
      <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.<?linebreak?>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:<?linebreak?> 	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <parablock>
        <para>	b. een dagtekening;</para>
        <para> 	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
        <para> 	d. de gronden van het hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>