<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2021:7114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T14:35:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8999421 AZ VERZ 21-16 (H)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Tilburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBZWB:2021:7113" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/Inachtneminghersteluitspraak" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Herstelde uitspraak: ECLI:NL:RBZWB:2021:7113</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:7114">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:7114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T14:34:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2021:7114 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 10-06-2021 / 8999421 AZ VERZ 21-16 (H)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2021:7114:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>herstelbeschikking</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2021:7114:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Cluster I Civiele kantonzaken</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tilburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak/rolnr.: 8999421 AZ VERZ 21-16</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">(herstel)beschikking d.d. 10 juni 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Van der Valk International B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Tiel ,</para>
      <para>verzoekende partij ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.J.T.M. Oudenhoven, advocaat te Venlo,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [plaats] , </para>
      <para>verwerende partij ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.A.F.J. Hupkes-Van den Brink, Das Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als VDVI en [verweerder] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van het geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procesgang blijkt uit de volgende stukken:</para>
    </parablock>
    <para>a. de beschikking van de kantonrechter te Tilburg van 11 mei 2021 met de daarin genoemde stukken;</para>
    <para>b. het faxbericht van 27 mei 2021 van de gemachtigde van [verweerder] met het verzoek tot aanvulling en herstel;</para>
    <para>c. de brief van 27 mei 2021 van de gemachtigde van VDVI.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil en de beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De gemachtigde van [verweerder] heeft bij brief van 27 mei 2021 verzocht om herstel van voormelde beschikking. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de beschikking aangevuld dient te worden ex artikel 32 Rv omdat niet beslist is op het verzoek om bij het bepalen van de ontbindingsdatum de proceduretijd niet af te trekken van de opzegtermijn vanwege ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Zonder aftrek van de proceduretijd dient de ontbindingsdatum volgens de gemachtigde van [verweerder] vastgesteld te worden op een datum niet eerder dan 1 oktober 2021. Verder heeft de gemachtigde van [verweerder] aangevoerd dat als aanvulling op grond van artikel 32 Rv niet plaatsvindt, dan sprake is van een kennelijke schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent omdat 1 juni 2021 is opgenomen waar 1 juli 2021 was bedoeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De wederpartij heeft aangevoerd dat het verzoek om aanvulling op grond van artikel 32 Rv dient te worden afgewezen omdat er wel een beslissing is genomen omtrent het verzoek betreffende de einddatum van de arbeidsovereenkomst en het verzoek op grond van artikel 31 Rv dient te worden afgewezen omdat de overwegingen aansluiten bij het dictum en aansluiten bij 1 juni 2021. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De kantonrechter is van oordeel dat in de overwegingen van de beschikking van 11 mei 2021 geen beslissing is gegeven op het verzoek van [verweerder] om geen rekening te houden met aftrek van de proceduretijd als vermeld in artikel 7:671b lid 8 sub a BW en aldus ingevolge artikel 32 Rv verzuimd is te beslissen over een onderdeel van het verzoek. Aldus dient de beschikking van 11 mei 2021 te worden aangevuld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Zoals overwogen in de beschikking van 11 mei 2021 onder 5.14 wordt voor het vaststellen van de ontbindingsdatum de duur van de ontbindingsprocedure in mindering gebracht op de opzegtermijn, waarbij minstens een maand dient te resteren. Indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, zoals in casu het geval, <emphasis role="italic">kan</emphasis> de duur van de ontbindingsprocedure niet in mindering worden gebracht op de opzegtermijn. De kantonrechter ziet hier aanleiding om de duur van de ontbindingsprocedure wel in mindering te brengen op de opzegtermijn nu [verweerder] al op 17 maart 2020 op de hoogte was van het vervallen van zijn functie en VDVI lang heeft gewacht met indiening van de ontslagaanvraag omdat zij dacht er met [verweerder] uit te komen. Het verzoek van [verweerder] ter zake van het niet aftrekken van de proceduretijd zal dan ook worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>In de beschikking van 11 mei 2021 is onder 5.14 vermeld dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2021 zal ontbinden, hetgeen een kennelijke schrijffout is die zich leent voor eenvoudig herstel omdat overwogen is dat er tenminste één maand opzegtermijn dient te resteren en aldus 1 juli 2021 bedoeld was. Nu de transitievergoeding gebaseerd is op een beëindiging per 1 juni 2021 in plaats van 1 juli 2021 is er ook ten aanzien daarvan sprake van een kennelijke fout die zich voor herstel leent, in die zin dat een bedrag van € 41.186,35 bruto aan transitievergoeding toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2021. Daarnaast is ten aanzien van de wettelijke rente over de billijke vergoeding sprake van een kennelijke fout die zich leent voor herstel omdat bedoeld was die vanaf één maand na de ontbindingsdatum toe te wijzen, zijnde 1 augustus 2021. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Beslist wordt als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vult de inhoud van de tussen partijen op 11 mei 2021 gewezen beschikking met bovenvermeld zaaknummer aan, aldus dat het verzoek van [verweerder] tot het niet aftrekken van de proceduretijd van de opzegtermijn zal worden afgewezen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>volhardt verder bij de inhoud van de beschikking van 11 mei 2021, met dien verstande dat,<?linebreak?>waar in 5.14 staat:<?linebreak?><emphasis role="italic">“Nu de opzegtermijn vier maanden bedraagt, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst (rekening houdend met de duur van de procedure) per 1 juni 2021 ontbinden.”</emphasis><?linebreak?>als volgt dient te luiden:<?linebreak?><emphasis role="italic">“Nu de opzegtermijn vier maanden bedraagt, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst (rekening houdend met de duur van de procedure) per 1 juli 2021 ontbinden.”</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en dat waar in 5.15 staat:<?linebreak?><emphasis role="italic">“ [verweerder] heeft de transitievergoeding berekend (bij opzegging per 1 juni 2021) op een bedrag van € 41.048,81 bruto. (…) Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de transitievergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal </emphasis>eindigen<emphasis role="italic">, dus vanaf 1 juli 2021.”</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>als volgt dient te luiden:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“ [verweerder] heeft de transitievergoeding berekend (bij opzegging per 1 juli 2021) op een bedrag van € 41.186,35 bruto. (…) Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de transitievergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst zal eindigen, dus vanaf 1 augustus 2021.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en dat waar in 5.21 staat:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding zal worden toegewezen vanaf </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">1 juli 2021.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als volgt dient te luiden:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding zal worden toegewezen vanaf </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">1 augustus 2021.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en dat in het dictum onder 6.2 waar staat:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2021;”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>als volgt dient te luiden:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2021;”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> en dat in het dictum onder 6.3 waar staat:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“veroordeelt VDVI om [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 41.048,81 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 juli 2021 tot de dag der algehele voldoening;”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>als volgt dient te luiden:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“veroordeelt VDVI om [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 41.186,35 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 augustus 2021 tot de dag der algehele voldoening;”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en dat in het dictum onder 6.4 waar staat:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“veroordeelt VDVI om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 25.000,-- bruto vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 juli 2021 tot de dag der algehele voldoening;”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>als volgt dient te luiden:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">“veroordeelt VDVI om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 25.000,-- bruto vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 augustus 2021 tot de dag der algehele voldoening;”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?>10 juni 2021.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>