<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2021:6644</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-30T11:01:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 21_5366 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:6644">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:6644</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-30T11:01:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2021:6644 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-12-2021 / AWB- 21_5366 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2021:6644:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Buiten behandeling stellen van aanvraag om bijstand</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2021:6644:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 21/5366 VV </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 23 december 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen,</emphasis> verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 oktober 2021 van het college (bestreden besluit) inzake de buiten behandeling stelling van zijn aanvraag om bijstand. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft op 15 juni 2021 een aanvraag gedaan om bijstand. Deze aanvraag is met het besluit van 5 juli 2021 buiten behandeling gesteld. Verzoeker heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de uitspraak van 5 augustus 2021<footnote-ref linkend="_4c639174-581a-4c88-9a4d-d07b85de0bcd" /> is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Daarbij is, kort gezegd, overwogen dat verzoeker de door het college opgevraagde stukken niet heeft overgelegd. Het college was daarom bevoegd de aanvraag buiten behandeling te stellen en van die bevoegdheid heeft het college ook in redelijkheid gebruik kunnen maken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 5 juli 2021 ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. In eerdere procedures is geoordeeld dat verzoeker vrijstelling krijgt voor het betalen van griffierecht. Daarbij is overwogen dat niet gebleken is dat verzoeker enig inkomen heeft. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen.</para>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter stelt vast dat er sprake is van een herhaald verzoek om voorlopige voorziening. In de uitspraak van 5 augustus 2021 is immers al een voorlopig oordeel gegeven over de buiten behandeling stelling van de aanvraag van 15 juni 2021. Verzoekers stelling ‘dat de procedure met kenmerk 21/5366 niets te maken heeft met de voorzieningenrechter’ kan de voorzieningenrechter niet volgen. Voor zover verzoeker de bedoeling heeft gehad te stellen dat het huidige verzoek om voorlopige voorziening niets te maken heeft met de eerdere uitspraak van 5 augustus 2021, dan wordt deze stelling niet gevolgd. Het gaat hier immers om hetzelfde feitencomplex, namelijk het niet in behandeling nemen van de aanvraag van 15 juni 2021. </para>
    <para />
    <para>5. De griffier heeft bij brief van 14 december 2021 aan verzoeker gevraagd of er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden of ernstige onvolkomenheden in de uitspraak van 5 augustus 2021.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft in reactie op deze brief gesteld dat er binnenkort een compleet dossier met extra bewijsstukken zal worden toegestuurd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Uit verzoekers reactie blijkt niet van nieuwe feiten of omstandigheden. Dat verzoeker een omvangrijk dossier met bewijsstukken heeft aangekondigd, maakt niet dat er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Bij de beoordeling van het bestreden besluit gaat het immers om de vraag of verzoeker ten tijde van de aanvraag en het besluit van 5 juli 2021 de gevraagde stukken heeft overgelegd. Eventuele nieuwe bewijsstukken die niet zijn overgelegd voorafgaand aan het besluit van 5 juli 2021 kunnen daarbij niet betrokken worden. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om het aangekondigde dossier af te wachten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en ook niet is gebleken dat er sprake is van ernstige onvolkomenheden in de uitspraak van 5 augustus 2021, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding anders te oordelen dan in die uitspraak. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E.M. Marsé, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 23 december 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
  <footnote id="_4c639174-581a-4c88-9a4d-d07b85de0bcd" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBZWB:2021:4067</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>