<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2021:5115</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-19T14:21:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 21_3675VV en 21_3676VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:5115">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:5115</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-19T14:16:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2021:5115 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-10-2021 / AWB- 21_3675VV en 21_3676VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2021:5115:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>OPIUMW</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2021:5115:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: BRE 21/3675 OPIUMW VV en 21/3676 OPIUMW VV</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 11 oktober 2021 van de voorzieningenrechter in de zaken tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [Naam verzoeker] , te [Woonplaats] , verzoeker</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de burgemeester van de gemeente Tilburg, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de afzonderlijke besluiten van verweerder van 11 augustus 2021 (bestreden besluiten), waarbij hij is gelast om met ingang van 31 augustus 2021 de garageboxen aan de [Adres] en [Adres] te [Woonplaats] (hierna: de garageboxen) voor de duur van zes maanden te sluiten en gesloten te houden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Tijdens een controle op 30 april 2021 heeft de politie Zeeland-West-Brabant in de garageboxen voorwerpen en stoffen aangetroffen die bestemd voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en/of -handel als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet. Dit heeft geleid tot de bestreden besluiten waarbij verzoeker is gelast de garageboxen voor de duur van zes maanden te sluiten en gesloten te houden.</para>
    <para />
    <para>2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
    <para />
    <para>3. Verzoeker is eigenaar en verhuurder van de garageboxen. Hij heeft de spoedeisendheid van zijn verzoek onderbouwd met de stelling dat sluiting voor de duur van zes maanden tot gevolg heeft dat hij met een schadepost zal worden opgezadeld. Sluiting van de garageboxen betekent minder huurinkomsten, aldus verzoeker. In dat verband heeft hij aangevoerd dat hij gepensioneerd is en voor een belangrijk deel van zijn inkomsten afhankelijk is van deze huurinkomsten. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak een financieel belang op zichzelf geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen. Eventuele schade kan immers worden verhaald indien achteraf blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Dit ligt anders wanneer aannemelijk is gemaakt dat een financiële noodsituatie dreigt. Verzoeker heeft gesteld dat hij voor een belangrijk deel van zijn inkomsten afhankelijk is van de huurinkomsten, maar hij heeft niet gesteld dat hij in een financiële noodsituatie dreigt te geraken ten gevolge van de sluiting. De voorzieningenrechter acht ook niet aannemelijk dat verzoeker in een financiële noodsituatie zal geraken omdat hij huurinkomsten genereert uit de verhuur van 15 garageboxen, de verhuur van kamers in de panden [Adres] en [Adres] te [Woonplaats] en de verhuur van een loods aan de [Adres] te [Woonplaats] . Deze huurinkomsten bedragen volgens hem op jaarbasis € 72.000,-- en het mislopen van de huurinkomsten van twee garageboxen is geen substantieel onderdeel van zijn totale huurinkomsten. </para>
        <para>De stelling van verzoeker dat een uiteindelijke afwijzing hem ten onrechte extra psychische schade zal toebrengen is evenmin voldoende grondslag om een spoedeisend belang aan te nemen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bij het ontbreken van voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, zoals hier het geval is, bestaat slechts aanleiding voor het niettemin treffen van een voorlopige voorziening indien – ook zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht – zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en de bestreden besluiten in de hoofdzaak in stand zullen blijven. Er moet, met andere woorden, sprake zijn van evident onrechtmatige besluiten. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd geen grond voor dat oordeel. </para>
        <para>Verzoeker heeft niet betwist dat in de beide garageboxen voorwerpen en stoffen zijn aangetroffen die bestemd zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en/of -handel.</para>
        <para>De stelling dat geen harddrugs zijn aangetroffen en dat ook geen sprake is geweest van daadwerkelijke hennepteelt gaat voorbij aan het feit dat artikel 11a van de Opiumwet specifiek betrekking heeft op het strafbaar zijn van het voorhanden hebben van de aangetroffen voorwerpen en stoffen omdat daarmee hennepteelt opgezet kan worden. De vraag in hoeverre verzoeker als verhuurder van de aanwezigheid van de voorwerpen en stoffen een verwijt kan worden gemaakt en de vraag of sluiting noodzakelijk is, kunnen in bezwaar nader aan de orde komen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5.	Het vorenstaande betekent dat verzoeker de uitkomst van de hoofdzaak kan afwachten. De voorzieningenrechter zal daarom de verzoeken van verzoeker tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen. Gegeven dit oordeel is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier, op 11 oktober 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
      <para>De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>P.H.M. Verdonschot, griffier		G.M.J. Kok, voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Rechtsmiddel</para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>