<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2021:4770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-08T12:21:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE-20_10352</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:temporal rdfs:label="Periode">
        <start rdfs:label="van">2019</start>
        <end rdfs:label="tot">2019</end>
      </dcterms:temporal>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:4770">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:4770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-30T12:45:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2021:4770 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-09-2021 / BRE-20_10352</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2021:4770:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2021:4770:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</title>
    <para>Belastingrecht, enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummers BRE 20/10352</para>
      <para>uitspraak van 24 september 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [belanghebbende] , gevestigd te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk</title>
    <para>belanghebbende,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst,</title>
    <para>de inspecteur.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Motivering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende de uitspraak op bezwaar tegen de beschikking geen teruggaaf omzetbelasting met beschikkingsnummer [beschikkingsnummer] O.019501 over de periode 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019. Overigens zijn in de betreffende uitspraak op bezwaar enkele typefouten gemaakt. Desalniettemin is het tussen partijen niet in geschil dat onderhavig geschil zich richt op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de hiervoor genoemde beschikking geen teruggaaf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier heeft ook voor een ingesteld beroep tegen een brief met de referentie van de inspecteur [beschikkingsnummer] B.01 een zaaknummer aangemaakt; BRE 20/10353. Nu tussen partijen echter niet in geschil is dat het beroep zich uitsluitend richt tegen de hiervoor genoemde uitspraak op bezwaar, is dit zaaknummer ten onrechte ingeschreven en zal om die reden worden afgevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet langer in geschil dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in verband met termijnoverschrijding voor het indienen van het bezwaar. Het beroep van belanghebbende is dan ook kennelijk gegrond. De uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd. De inspecteur heeft verzocht om de zaak terug te verwijzen naar de inspecteur om het bezwaar inhoudelijk te behandelen. De rechtbank zal dit doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Griffierecht</emphasis>
      </para>
      <para>Nu het beroep kennelijk gegrond is, dient de inspecteur op grond van artikel 8:74, eerste lid van de Awb, aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskostenvergoeding</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet is weersproken dat sprake is van verleende rechtsbijstand die binnen de groep wordt doorbelast. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor beroepsmatig verleende bijstand in de beroepsfase vast op € 374. Dit bedrag is gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 0,5<footnote-ref linkend="_37a66393-1cd0-4586-873e-73f0ec9e6983" />). Het nadere stuk van belanghebbende wordt niet aangemerkt als conclusie van repliek aangezien belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld is te repliceren<footnote-ref linkend="_fa97bd93-1cee-4279-a873-e0be44ceaa8d" />.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de uitspraak op bezwaar;</para>
    <para>- draagt de inspecteur op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para>- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 374;</para>
    <para>- bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 354 aan deze vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 24 september 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De rechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_37a66393-1cd0-4586-873e-73f0ec9e6983" label="1">
    <para> Gelet op Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, onderdeel 4.6.4.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa97bd93-1cee-4279-a873-e0be44ceaa8d" label="2">
    <para> Hoge Raad 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:866. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>