<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2021:3252</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-30T12:43:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 21_2573 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:3252">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:3252</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-30T12:42:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2021:3252 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 25-06-2021 / AWB- 21_2573 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2021:3252:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzen verzoek toekennen studiefinanciering</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2021:3252:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 21/2573 WSFBSF VV </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 25 juni 2021 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. P.S. Folsche,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO),</emphasis> verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 april 2021 van DUO (bestreden besluit) inzake zijn studiefinanciering. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para>Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter treft op grond van deze bepaling alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft gesteld dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ligt besloten in de aard van de studiefinanciering, die hoofdzakelijk is bedoeld om studenten in staat te stellen te voorzien in de kosten van hun levensonderhoud. Zonder het treffen van de voorziening stelt verzoeker in een tijdelijke financiële noodsituatie te komen. Verzoeker stelt geen aanspraak te hebben op bijstand op grond van de Participatiewet en heeft als student niet de mogelijkheid om geld te lenen van een derde partij. Verder kunnen de ouders van verzoeker hem niet financieel ondersteunen. Ter onderbouwing van zijn financieel precaire situatie heeft verzoeker  bankafschriften overgelegd van zijn ING-rekening met betrekking tot de periode 15 april 2021 tot en met 17 juni 2021 en een screenprint van zijn ING-rekening met een saldo van € 11,25. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter stelt, zoals eerder overwogen, voorop dat relevant is of sprake is van een (dreigende) noodsituatie. Uit de door verzoeker ingediende gegevens is voor de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat verzoeker op dit moment in een situatie verkeert of dreigt te geraken van acute financiële nood of anderszins in een onomkeerbare situatie komt te verkeren. De enkele omstandigheid dat de inkomsten van verzoeker lager zijn dan zijn uitgaven, is onvoldoende voor het treffen van een voorlopige voorziening. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat op de bankrekening van verzoeker in de betreffende periode van 2 maanden een bedrag van € 5.306,41 is bijgeschreven. Ook blijkt van stortingen die afkomstig zijn van een Kroatische bankrekening van verzoeker. De voorzieningenrechter kent geen betekenis toe aan de overgelegde screenprint met het saldo van de ING-rekening. Uit deze print blijkt namelijk niet op welke datum dit saldo ziet.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een spoedeisend belang bij een voorlopige toekenning van de studiefinanciering, acht de voorzieningenrechter op dit moment dan ook reeds hierom niet aanwezig. De voorzieningenrechter is niet gebleken van een situatie van het niet kunnen afwachten van de uitkomst van de beroepsprocedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier, op 25 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>	voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>