<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2021:3198</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-06T11:14:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 830</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#versneldeBehandeling">Versnelde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:temporal rdfs:label="Periode">
        <start rdfs:label="van">2018</start>
        <end rdfs:label="tot">2018</end>
      </dcterms:temporal>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:3198">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:3198</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-06T11:14:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2021:3198 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-06-2021 / AWB - 21 _ 830</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2021:3198:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2021:3198:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</title>
    <para>Belastingrecht, enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer BRE 21/830</para>
      <para>uitspraak van 21 juni 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,</title>
    <para>belanghebbende,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst,</title>
    <para>de inspecteur.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Motivering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Aanleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De inspecteur heeft aan de wettelijk vertegenwoordiger van belanghebbende, [wettelijk vertegenwoordiger] , met dagtekening 2 juli 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen voor het jaar 2018 (aanslagnummer [aanslagnummer] .H.86.01) opgelegd. De wettelijk vertegenwoordiger heeft namens belanghebbende op 17 februari 2021 beroep ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen op het tegen de aanslag gemaakte bezwaar. Daarbij is verzocht te beslissen dat de inspecteur zo spoedig mogelijk alsnog uitspraak op bezwaar doet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beroep tegen het niet-tijdig beslissen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2018 is ingediend op 10 juli 2020. Het is de rechtbank niet gebleken dat de inspecteur ten aanzien van het namens belanghebbende gemaakte bezwaar de beslistermijn onder toepassing van artikel 7:10, derde lid, van de Awb heeft verlengd. De inspecteur diende daarom in beginsel uiterlijk 24 september 2020 te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 23 november 2020 heeft de wettelijk vertegenwoordiger, namens belanghebbende, de inspecteur in gebreke gesteld. Bij brief van 18 januari 2021 is aan de inspecteur een herinnering van de ingebrekestelling gestuurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is niet gebleken dat de inspecteur inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is daarom kennelijk gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verbeurde dwangsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8:55c van de Awb kan de rechtbank in dit geval ook de hoogte van de ingevolge van afdeling 4.1.3. van de Awb verbeurde dwangsom vaststellen. Gelet op de datum van de ingebrekestelling is de inspecteur inmiddels de maximale dwangsom verschuldigd van € 1.442.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van de toegekende dwangsom. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat beslist wordt dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien de toegekende dwangsom niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.<footnote-ref linkend="_c48635aa-94e6-4978-8224-04324ea757c4" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Termijnstelling en nadere dwangsom (artikel 8:55d van de Awb)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat het de rechtbank niet is gebleken dat de inspecteur inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan, zal de rechtbank op basis van artikel 8:55d van de Awb bepalen dat de inspecteur binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog de uitspraak op bezwaar doet. Voor een langere termijn ziet de rechtbank geen aanleiding, mede in aanmerking genomen de tijd die inmiddels is verstreken nadat het beroep is ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb in overeenstemming met het landelijk gepubliceerde beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat de inspecteur een dwangsom van € 100 verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor bedoelde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat niet is gesteld dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende bijstand en namens belanghebbende overigens geen kosten zijn gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen. Belanghebbende krijgt wel het griffierecht vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de inspecteur op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog uitspraak op bezwaar te doen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de inspecteur een dwangsom verbeurt van € 100 voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>stelt vast dat door de inspecteur, als gevolg van het niet-tijdig beslissen op bezwaar, een dwangsom is verbeurd van € 1.442;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>beslist dat voor zover de toegekende dwangsom niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 49 aan hem te vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 21 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De rechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c48635aa-94e6-4978-8224-04324ea757c4" label="1">
    <para> Vgl. Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>