<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2021:2904</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-11T13:27:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02-283863-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:2904">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:2904</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-11T09:27:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2021:2904 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-06-2021 / 02-283863-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2021:2904:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>’Verduistering in dienstbetrekking. Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer 7 jaar op verschillende momenten in totaal ongeveer € 667.503,17 verduisterd. Ondanks het feit dat verdachte zegt te zijn afgeperst, had zij op meerdere momenten een andere keuze kunnen en moeten maken. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.’’</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2021:2904:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer: 02/283863-20  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de meervoudige kamer van 11 juni 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de strafzaak tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1963 te [geboorteplaats]</para>
      <para>wonende te [adres] </para>
      <para>raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek van de zaak</title>
    <para>De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 mei 2021, waarbij de officier van justitie, mr. E. van Aalst, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. </para>
      <para>De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte gedurende 7 jaar ongeveer € 667.503,17 heeft verduisterd van haar werkgever.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De voorvragen</title>
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is geldig. </para>
      <para>De rechtbank is bevoegd. </para>
      <para>De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. </para>
      <para>Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de processen-verbaal met betrekking tot de bankrekeningen van verdachte en de door verdachte ter zitting afgelegde bekennende verklaring. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>4.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bewijsmiddelen</emphasis>
          </para>
          <para>Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs</emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank is op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, de aangifte en de mutatieoverzichten van de bankrekeningen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De bewezenverklaring</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>op meerdere tijdstippen in de periode van 2 februari 2011 <?linebreak?>tot en met 25 januari 2018 te Breda en Prinsenbeek en elders in<?linebreak?>Nederland, telkens opzettelijk een of meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer <emphasis role="italic">667.503,17</emphasis> euro, geheel toebehoorde aan [naam] , en welk goed verdachte uit<?linebreak?>hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten als administratief boekhoudassistent<?linebreak?>en office manager/boekhoudster, <?linebreak?>wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door: telkens onbevoegd gebruik te maken van een of meerdere bankpassen van [naam] en de daarbij behorende pincode en middels internetbankieren die geldbedragen naar een of meerdere aan haar, verdachte, toebehorende bankrekeningen over te boeken/over te maken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid</title>
    <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafoplegging</title>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De vordering van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een bewezenverklaring geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het is een oude zaak, de redelijke termijn is geschonden en verdachte heeft een blanco strafblad. Daarbij zal zij de rest van haar leven bezig zijn met het afbetalen van de regresvordering van de verzekeraar die de schade van [naam] heeft vergoed.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer 7 jaar op verschillende momenten in totaal ongeveer € 667.503,17 euro verduisterd. Het geld dat zij heeft verduisterd was van haar werkgever, van wie zij in de periode waarin ze daar werkzaam was steeds meer verantwoordelijkheden heeft gekregen en waarbij ze uiteindelijk zelfs als bestuurder is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat zij misbruik heeft gemaakt van de mogelijkheden die haar functie met zich mee heeft gebracht en op geen enkel moment besef heeft getoond van het nadeel dat zij het bedrijf heeft berokkend. Ook ter zitting is daarvan niet gebleken. Verdachte heeft niet alleen financiële schade veroorzaakt, maar ook het vertrouwen dat het bedrijf in haar heeft gesteld ernstig geschaad. Daarbij komt dat zij op een geraffineerde manier te werk is gegaan door middel van bijvoorbeeld het opmaken van valse facturen en dat de verduistering gedurende een lange periode heeft plaatsgevonden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Op fraude in de zin van verduistering van een geldbedrag gelijk aan de grootte van het geldbedrag dat verdachte heeft verduisterd staat volgens die oriëntatiepunten tussen de 18 en 24 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij zijn de geraffineerde werkwijze, de lange periode waarin de verduistering plaats heeft gevonden en het feit dat verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep als strafverzwarende factoren aan te merken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft ook acht geslagen op het strafblad van verdachte en gezien dat zij niet recent is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals zij die -voor het eerst- ter zitting naar voren heeft gebracht. Zij zou, naar het zich laat aanzien, zijn bedreigd en aldus gedwongen zijn om geldbedragen van haar toenmalige werkgever weg te nemen. Het lijkt er op dat er waarschijnlijk meer speelde in het leven van verdachte. De mogelijkheid bestaat dat verdachte niet al het geld in eigen zak heeft gestoken. De rechtbank neemt dit als straf verlagende omstandigheid mee. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij vanuit eigen belang, voordat ze zou zijn bedreigd, is begonnen met de verduistering, simpelweg om geld te hebben om rekeningen te betalen. Het lijkt erop dat haar handelwijze op enig moment een gewoonte is geworden. Zo heeft verdachte een groot geldbedrag, afkomstig van haar toenmalige werkgever, uitgeleend aan een vriendin. Zij heeft niet enkel gehandeld uit angst voor de personen die haar mogelijk zouden hebben afgeperst, maar de verduisterde gelden ook voor andere, persoonlijke, doeleinden gebruikt. Daarbij komt dat verdachte op geen enkel moment aan de politie heeft gemeld wat er aan de hand was; zij heeft haar strafbare gedragingen pas beëindigd toen deze werden ontdekt. Vervolgens heeft zij tot de zitting gewacht met het vertellen van haar kant van het verhaal, terwijl zij naar eigen zeggen op het moment dat zij werd verhoord door de politie in onderhavige zaak al langere tijd niet meer werd bedreigd. Verdachte had op meerdere momenten gedurende de periode, ook toen zij niet zou zijn afgeperst, een andere keuze kunnen en moeten maken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft tot nu toe het ontstane nadeel niet ongedaan gemaakt. Ook is niet komen vast te staan dat zij daartoe inspanningen heeft verricht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat gezien de aard en ernst van het feit niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De redelijke termijn is niet geschonden. Verdachte is pas op 16 november 2020 op de hoogte gesteld van het feit dat zij zou worden vervolgd. De rechtbank merkt dit aan als eerste daad van vervolging. Wel zal de rechtbank rekening houden met het gegeven dat het feit enige tijd geleden is gepleegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De wettelijke voorschriften</title>
    <para>De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewezenverklaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;</para>
    <para>- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafbaarheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:</para>
    <bridgehead role="italic">verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd</bridgehead>
    <para>- verklaart verdachte strafbaar;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Strafoplegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verdachte tot <emphasis role="bold">een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar</emphasis>;</para>
    <para>- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;</para>
    <para />
    <para>- stelt als <emphasis role="bold">algemene voorwaarde</emphasis> dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. H.E. Goedegebuur, voorzitter, mr. M. van de Wetering en mr. M.I. Koelewijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Heitzman, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. H.E. Goedegebuur, mr. M.I.Koelewijn en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bijlage I</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De tenlastelegging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 februari 2011 <?linebreak?>tot en met 25 januari 2018 te Breda en/of te Prinsenbeek en/of te Oosterschelde en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 667.503,17 euro) in elk geval enig goed/een (hoog) geldbedrag, geheel of ten dele toebehoorde aan [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking, te weten als administratief boekhoudassistent en/of office manager/boekhoudster, elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door: (telkens) onbevoegd gebruik te maken van een of meerdere bankpas(sen) van [naam] en/of de daarbij behorende pincode en/of middels internetbankieren dat/die geldbedragen naar een of meerdere aan haar, verdachte, toebehorende bankrekening(en) over te boeken/over te maken;<?linebreak?> (Artikel art 321 Wetboek van Strafrecht, art 322 Wetboek van Strafrecht)</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>