<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2021:2886</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T18:09:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE - 19 _ 6079</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2021062105</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2021-1989</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:2886">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2021:2886</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-16T08:35:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2021:2886 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-06-2021 / BRE - 19 _ 6079</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2021:2886:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2021:2886:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Belastingrecht, enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer BRE 19/6079</para>
      <para>uitspraak van 9 juni 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, domicilie kiezende te [woonplaats],</para>
      <para>belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Belanghebbende woont in Portugal. Op 5 juli 2019 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen – onder meer – de op de Nederlandse AOW-uitkering ingehouden loonheffingen in de maanden mei en juni 2019 door de Sociale Verzekeringsbank.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De inspecteur heeft bij brief van 28 oktober 2019 het bezwaar afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 19 november 2018, ontvangen bij de rechtbank op 26 november 2018, beroep ingesteld. Tegelijkertijd heeft belanghebbende beroep ingesteld in een vergelijkbare zaak, bekend bij de rechtbank onder procedurenummer 19/6078. Vanwege samenhangende zaken heeft de griffier eenmaal een griffierecht geheven van € 47 van belanghebbende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij brief van 22 april 2020 heeft de rechtbank partijen in kennis gesteld dat zij de behandeling van het beroep aan zal houden in afwachting van het antwoord van de Hoge Raad op door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen.<footnote-ref linkend="_c03be536-ae96-4202-83ac-2e80ffce963a" /> Belanghebbende heeft hierop bij brief van 27 april 2020 gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De Hoge Raad heeft deze vragen op 6 november 2020 beantwoord.<footnote-ref linkend="_ef3cb171-b33d-4424-bec4-8d838afc9e5a" /> De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De inspecteur heeft gereageerd bij brief van 18 november 2020 en belanghebbende bij brief van 10 december 2020, ingekomen op 12 januari 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Met toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vooraf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.0</nr>
      <para>Nadat partijen hebben gemeld dat uitspraak kon worden gedaan zonder nadere zitting, heeft het – door omstandigheden – langer geduurd dan wenselijk is dat deze uitspraak wordt gedaan. De rechtbank biedt daarvoor haar verontschuldigingen aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inhoudelijk</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen is niet langer in geschil dat ten onrechte loonbelasting is ingehouden op de AOW-uitkering van belanghebbende over de maanden mei en juni 2019. De rechtbank zal tot teruggave van die loonheffingen beslissen. </para>
        <para>	Een teruggaaf van loonheffingen over andere maanden kan de rechtbank niet in haar beslissing tot uitdrukking brengen, omdat deze beroepsprocedure alleen over de maanden mei en juni 2019 gaat. De rechtbank wijst er nog wel op dat de inspecteur in zijn verweerschrift, onderdeel 7.13 heeft gewezen op de mogelijkheid om een aangifte inkomstenbelasting in te dienen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Belanghebbende maakt aanspraak op een rentevergoeding. Op grond van artikel 30ha, eerste en derde lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft belanghebbende recht op een rentevergoeding. Deze vergoeding kan ook in deze procedure worden toegekend, hoewel niet eerder een beschikking als bedoeld in artikel 30j van de AWR is genomen.<footnote-ref linkend="_e1589d20-4144-421e-bd84-18ca1b5ecdb8" /> De belastingrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt 8 weken na de ontvangst van het verzoek om de teruggaaf, maar niet eerder dan 3 maanden na het einde van het kalenderjaar of het boekjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt 14 dagen na dagtekening van de teruggaafbeschikking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft tevens verzocht de Belastingdienst op te dragen een vrijstelling van loonheffingen te verlenen over de AOW-uitkering vanaf 1 mei 2019. De rechtbank is daartoe echter niet bevoegd. Deze procedure gaat niet over een afwijzing van een verzoek om een verklaring van vrijstelling van loonheffingen, en overigens staat tegen een dergelijke afwijzing geen bezwaar en beroep bij de belastingrechter open.<footnote-ref linkend="_818b4a50-5d79-4ae8-ac6a-ea2aba722314" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het beroep is daarom gegrond.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank heeft de inspecteur in de andere samenhangende zaak 19/6078 reeds gelast het betaalde griffierecht te vergoeden.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.	Beslissing</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de inhouding van loonheffingen ter zake van de AOW-uitkering in de maanden mei en juni 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>verleent teruggaaf van de ingehouden loonheffing over de AOW-uitkering in de maanden mei en juni 2019 aan belanghebbende;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>bepaalt dat de inspecteur belastingrente moet vergoeden op grond van artikel 30ha van de AWR in verband met deze teruggaven overeenkomstig hetgeen in 2.2 is vermeld.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier, op 9 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier,	De rechter,</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier is verhinderd </para>
        <para>deze uitspraak te ondertekenen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
        </para>
        <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, </para>
        <para>5201 CZ ’s-Hertogenbosch.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
      </parablock>
      <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.<?linebreak?>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:<?linebreak?> 	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <parablock>
        <para>	b. een dagtekening;</para>
        <para> 	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
        <para> 	d. de gronden van het hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_c03be536-ae96-4202-83ac-2e80ffce963a" label="1">
    <para> Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 en 17 april 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1764 en ECLI:NL:RBZWB:2020:1814.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ef3cb171-b33d-4424-bec4-8d838afc9e5a" label="2">
    <para> Hoge Raad, 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1732 en ECLI:NL:HR:2020:1733.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1589d20-4144-421e-bd84-18ca1b5ecdb8" label="3">
    <para> Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3972, rov. 4.6-4.8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_818b4a50-5d79-4ae8-ac6a-ea2aba722314" label="4">
    <para> Zie bijv. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 december 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:5585.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>