<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:6777</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-04T10:37:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8828528 VV EXPL 20-72</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:6777">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:6777</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-01-04T10:36:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:6777 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-11-2020 / 8828528 VV EXPL 20-72</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:6777:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>kort geding, huur, gebruiksrecht gezamenlijke huurwoning, afgifte goederen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:6777:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Cluster I Civiele kantonzaken</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak/rolnr.: 8828528 VV EXPL 20-72</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis in kort geding d.d. 20 november 2020 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [adres] ,</para>
      <para>eiseres in conventie, verweerder in reconventie,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiseres] </para>
      <para>gemachtigde: mr. G.A.P. Avontuur, advocaat te Oosterhout,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats 1] , </para>
      <para>gedaagde in conventie, eiser in reconventie, </para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. R. Joosen, advocaat te Oosterhout.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De procesgang blijkt uit de volgende stukken:</para>
      <para>a. de dagvaarding van 27 oktober 2020 met producties;</para>
      <para>b. de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties;</para>
      <para>c. het faxbericht van de zijde van [eiseres] van 4 november 2020 met producties;</para>
      <para>d. het faxbericht van de zijde van [gedaagde] van 4 november 2020;</para>
      <para>e. de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 6 november 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Vervolgens heeft de kantonrechter vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil in conventie en reconventie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In conventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [eiseres] voor de duur van de (nog aanhangig te maken) bodemprocedure, met uitsluiting van [gedaagde] , gerechtigd is tot het gebruik van de woning aan de [adres] , met machtiging deze veroordeling zo nodig ten uitvoer te leggen met hulp van de sterke arm van politie en justitie, kosten rechtens.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] voert verweer en verzoekt [eiseres] in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen van [eiseres] af te wijzen.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">In reconventie</emphasis>:</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>te bepalen dat [gedaagde] voor de duur van de (nog aan te vangen) bodemprocedure, met uitsluiting van [eiseres] , wordt gerechtigd tot het gebruik van de woning aan de [adres]</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [eiseres] te veroordelen tot het verlaten van de woning aan de [adres] met medeneming van haar eigendommen en onder overhandiging en afgifte van alle sleutels daarvan aan [gedaagde] , binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan [gedaagde] gerechtigd is om [eiseres] met behulp van de sterke arm van politie en justitie te dwingen de woning te verlaten, en [eiseres] te verbieden om de huurwoning nadien (zonder toestemming van [gedaagde] ) te betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat zij daarmee in gebreke blijft dan wel voor elke overtreding met een maximum van € 10.000,-;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            [eiseres] te veroordelen om binnen 24 uren na de betekening van dit vonnis tot afgifte aan [gedaagde] van de goederen zoals vermeld onder punt 3.6 van onderhavige conclusie van antwoord alsmede eis in reconventie, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat zij daarmee in gebreke blijft dan wel voor elke overtreding met een maximum van € 10.000,-;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, inclusief nasalaris, met bepaling dat over de proceskosten de wettelijke vertragingsrente verschuldigd zal zijn indien deze kosten niet binnen één week na betekening van dit vonnis zijn voldaan.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [eiseres] voert verweer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De grondslagen van de (tegen)vorderingen en het daarop gevoerde verweer van partijen zullen hierna – voor zover relevant – in de beoordeling worden weergegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten en de beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In conventie en reconventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen staat vast dat zij, [eiseres] (moeder) en [gedaagde] (zoon), tot voor </para>
        <para>kort gezamenlijk de woning aan de [adres] bewoonden. De </para>
        <para>woning betreft een huurwoning van woningcorporatie Thuisvester. [eiseres] en [gedaagde] zijn </para>
        <para>contractueel medehuurder van de woning.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen heeft een incident heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2020. </para>
        <para>Sindsdien verblijft [gedaagde] bij zijn vader. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Als gevolg van het incident is door de burgemeester van [woonplaats 2] een </para>
        <para>huisverbod opgelegd aan [gedaagde] voor de duur van tien dagen. Dit is vervolgens verlengd </para>
        <para>tot 22 november 2020.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Gezien de nauwe samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in </para>
        <para>reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gebruiksrecht van de gezamenlijke huurwoning</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Uitgangspunt is dat een medehuurder op grond van artikel 7:267 lid 7 van het </para>
        <para>Burgerlijk Wetboek (BW) in een bodemprocedure kan vorderen dat de rechter zal bepalen </para>
        <para>dat een andere medehuurder de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet </para>
        <para>langer zal voortzetten. Wanneer voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter deze </para>
        <para>beslissing zal geven, kan de voorzieningenrechter een daarop vooruitlopende voorlopige </para>
        <para>maatregel treffen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>In deze procedure dient te worden beoordeeld wie van partijen het meeste belang </para>
        <para>heeft bij voortzetting van het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke huurwoning gedurende </para>
        <para>de periode dat de huurovereenkomst nog niet op een van hen is overgegaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat haar belang om in de </para>
        <para>woning te kunnen blijven zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] . [eiseres] voert </para>
        <para>hiertoe aan dat de onhoudbare situatie tussen haar en [gedaagde] is veroorzaakt door [gedaagde] . </para>
        <para>
          [eiseres] heeft daarnaast aangevoerd dat zij geen alternatief voor haar huidige woning heeft, </para>
        <para>terwijl [gedaagde] dit wel heeft. Hij woont immers al sinds 23 augustus 2020 bij zijn vader. </para>
        <para>Bovendien stelt [eiseres] dat zij de woning heeft aangekleed, zonder noemenswaardige </para>
        <para>bijdrage van [gedaagde] . Daarnaast stelt [eiseres] dat het medehuurderschap van [gedaagde] van </para>
        <para>rechtswege is geëindigd omdat hij geen hoofdverblijf meer in de woning heeft gelet op het </para>
        <para>tijdelijk huisverbod.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft in zijn conclusie van antwoord tevens eis in reconventie aangevoerd </para>
        <para>dat hij een groter belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning dan [eiseres] . Het is </para>
        <para>weliswaar correct dat hij op dit moment bij zijn vader verblijft, maar dit is slechts een </para>
        <para>noodoplossing en van tijdelijke duur. [gedaagde] kan verder nergens anders terecht en heeft dan </para>
        <para>ook geen alternatieve mogelijkheden tot huisvesting. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat </para>
        <para>zowel hij als zijn vriendin afhankelijk zijn van een uitkering. Andere huisvesting vinden voor </para>
        <para>twee mensen is lastiger dan voor één persoon. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij </para>
        <para>meer in de woning heeft geïnvesteerd dan [eiseres] . Hij heeft de werkzaamheden aan de </para>
        <para>woning bekostigd en uitgevoerd, zoals schilderwerkzaamheden. [eiseres] heeft de woning </para>
        <para>aangekleed door een groot deel van de meubels voor rekening te nemen. Tot slot merkt [gedaagde] </para>
        <para> op dat een beroep van [eiseres] op artikel 7:267 lid 5 BW niet kan baten omdat hij </para>
        <para>noodgedwongen zijn verblijf elders heeft. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] kenbaar gemaakt dat hij druk bezig is om </para>
        <para>te zoeken naar andere woonruimte. Zo heeft hij zich ingeschreven bij Casade en Klik voor </para>
        <para>wonen. Verder probeert hij te regelen met Thuisvester en de gemeente dat hij ingeschreven </para>
        <para>kan worden op het adres van zijn vader. Als dat lukt behoudt hij ook zijn uitkering. Zijn plan </para>
        <para>is om van daaruit verder te zoeken naar andere woonruimte voor hem en zijn vriendin. [gedaagde] </para>
        <para> heeft verder opgemerkt niet terug te willen naar de woning aan de [adres] </para>
        <para> . Hij verzoekt om aanhouding van één maand, omdat wordt verwacht dat er </para>
        <para>tegen die tijd duidelijk is of hij ingeschreven mag staan bij de woning van zijn vader. Is dat </para>
        <para>het geval dan trekt hij de vordering zoals genoemd in overweging 2.3 onder a en b. in, lukt </para>
        <para>dan niet dan blijft zijn vordering in reconventie staan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen de aanhouding onder meer omdat het </para>
        <para>huisverbod van de burgemeester op 22 november 2020 eindigt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter gaat voorbij aan het verzoek tot aanhouding van [gedaagde] , nu het </para>
        <para>gaat om een kort geding procedure, aldus een procedure met een spoedeisend belang waarbij </para>
        <para>snel om een uitspraak wordt gevraagd. De kantonrechter constateert dat [gedaagde] nu zijn </para>
        <para>hoofdverblijf weliswaar noodgedwongen elders heeft, maar dat hij tijdens de mondelinge </para>
        <para>behandeling zelf heeft gesteld niet terug naar de woning te willen, maar voorlopig bij zijn </para>
        <para>vader te willen blijven wonen en van daaruit op zoek te gaan naar een andere woning. Nu </para>
        <para>
          [gedaagde] een alternatieve woonruimte heeft is het belang van [eiseres] bij het behoud van de </para>
        <para>woning groter. Gelet op het voorgaande en nu niet aannemelijk is dat in een bodemprocedure </para>
        <para>anders zal worden geoordeeld, wijst de kantonrechter de vordering van [eiseres] in conventie </para>
        <para>toe. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter ziet geen grond om de gevorderde machtiging van [eiseres] om de </para>
        <para>voornoemde veroordeling, namelijk de uitsluiting van [gedaagde] tot het gebruik van de </para>
        <para>woning voor de duur van de (nog aanhangig te maken bodemprocedure) zo nodig ten uitvoer </para>
        <para>te leggen met de hulp van de sterke arm, toe te wijzen, nu [gedaagde] tijdens de mondelinge </para>
        <para>behandeling te kennen heeft gegeven dat hij niet wenst terug te keren naar de woning. </para>
        <para>Hierdoor heeft [eiseres] geen belang meer bij haar vordering. Bovendien is het niet </para>
        <para>aannemelijk dat de hulp van politie en justitie nodig zal zijn om [gedaagde] uit te sluiten van </para>
        <para>het gebruik van de woning.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <parablock>
        <para>Nu de vordering in conventie wordt toegewezen, betekent dit dat de vordering in </para>
        <para>reconventie zoals genoemd in overweging 2.3 onder a. en b. wordt afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Afgifte van de goederen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <parablock>
        <para>Door [gedaagde] is in reconventie eveneens de afgifte van goederen </para>
        <para>gevorderd, waarbij wordt verwezen naar de lijst zoals vermeld onder punt 3.6 van </para>
        <para>onderhavige conclusie van antwoord alsmede eis in reconventie. Hij legt hieraan ten </para>
        <para>grondslag dat door [eiseres] spullen van hem zijn vernield en verduisterd, onder andere is </para>
        <para>een tv van [gedaagde] weggegeven. Van de vernieling en verduistering is </para>
        <para>aangifte gedaan. [gedaagde] is bang dat dit ook met zijn andere spullen zal gebeuren, reden </para>
        <para>waarom hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot afgifte van de goederen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft aangevoerd dat voornoemde vordering zich niet leent voor een </para>
        <para>procedure in kort geding. Zij heeft opgemerkt dat het echter van belang is dat [gedaagde] zijn </para>
        <para>spullen komt ophalen uit de woning omdat er op 10 november 2020 </para>
        <para>renovatiewerkzaamheden aan de woning worden verricht en deze werkzaamheden niet door </para>
        <para>kunnen gaan als de spullen van [gedaagde] hoog opgestapeld in de woning staan. [eiseres] zou </para>
        <para>dan ook graag zien dat [gedaagde] , of iemand anders nu [gedaagde] een huisverbod opgelegd </para>
        <para>heeft gekregen, de spullen waarover zij het eens zijn, namelijk de lijst op pagina 3 van de </para>
        <para>door [eiseres] op 4 november 2020 ingediende aanvullende stukken, op komt halen uit de </para>
        <para>woning. [eiseres] betwist spullen van [gedaagde] vernield en verduisterd te hebben. Ook </para>
        <para>betwist zij dat ze de tv heeft weggegeven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter is van oordeel dat de vordering tot afgifte van de goederen geen </para>
        <para>vordering is die zich leent voor een kort geding procedure. Het spoedeisend belang hiervoor </para>
        <para>ontbreekt. [gedaagde] heeft op 23 augustus 2020 de woning verlaten en bijna drie maanden </para>
        <para>gewacht met het instellen van deze vordering. Door [gedaagde] zijn onvoldoende concrete </para>
        <para>omstandigheden gesteld waarom hij nu een spoedeisend belang heeft bij de afgifte van de </para>
        <para>goederen. Bovendien wordt de door [gedaagde] gestelde vernieling en verduistering van de </para>
        <para>spullen betwist door [eiseres] . De vernieling en verduistering is verder niet met foto’s of </para>
        <para>andere stukken onderbouwd. Eveneens wordt het weggeven van de tv betwist. De vordering </para>
        <para>tot de afgifte van de goederen, zoals genoemd in overweging 2.3 onder c.,  zal bij gebrek aan </para>
        <para>een spoedeisend belang dan ook worden afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <parablock>
        <para>Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat partijen het eens zijn over het </para>
        <para>ophalen van de platen (elpees) door [gedaagde] en de lijst met spullen die bij brief van </para>
        <para>4 november 2020 op pagina 3 is gevoegd. [gedaagde] gaat akkoord dat [eiseres] de </para>
        <para>wasmachine en de flatscreen Samsung krijgt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten in conventie en reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat het geschil verband houdt met een familiaire verhouding tussen partijen ziet </para>
        <para>de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij </para>
        <para>de eigen kosten draagt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing in kort geding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in conventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat het gebruiksrecht van de woning aan de [adres] tijdelijk, totdat in de bodemprocedure is beslist, alleen toekomt aan [eiseres] ;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in reconventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">proceskosten in conventie en reconventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Tilman-Knoester, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>