<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:6427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-11T09:07:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 20_9767 PW VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:6427">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:6427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-11T09:04:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:6427 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-12-2020 / AWB- 20_9767 PW VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:6427:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek over handhaving van een maatregel die is opgelegd in het kader van de Participatiewet</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:6427:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 20/9767 PW VV </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 15 december 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. W.R. Aerts, advocaat te Vlissingen </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een besluit van 8 oktober 2020 van Orionis (bestreden besluit) over de handhaving van een maatregel die is opgelegd in het kader van de Participatiewet. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een besluit van 20 mei 2020 is een maatregel van 100% gedurende een maand opgelegd, als gevolg waarvan eiser over de maand juli 2020 geen uitkering heeft ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een besluit van 24 juni 2020 (primair besluit) is een maatregel van 100% gedurende drie maanden opgelegd, als gevolg waarvan eiser over de maanden augustus tot en met oktober 2020 geen uitkering heeft ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers bezwaar tegen het primaire besluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verzoeker heeft, samengevat en voor zover van belang, aangevoerd dat hij het niet eens is met het bestreden besluit. Hij is niet meer in staat zijn vaste financiële verplichtingen na te komen. Hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    <para />
    <para>3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter staat ambtshalve stil bij de vraag of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een brief van 30 november 2020 heeft de griffier verzoekers gemachtigde gevraagd om het spoedeisend belang toe te lichten en met bewijsstukken te onderbouwen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een faxbericht van 7 december 2020 heeft verzoekers gemachtigde kopieën van bankafschriften aan de voorzieningenrechter toegezonden. De bankafschriften zijn deels zo gekopieerd dat de bedragen niet zichtbaar zijn, deels zijn ze zo gekopieerd dat de bedragen niet of slecht leesbaar zijn. In ieder geval blijkt uit de afschriften niet of sprake is van een negatief saldo op de rekening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een faxbericht van 8 december 2020 heeft verzoekers gemachtigde aan de voorzieningenrechter bericht dat verzoeker, volgens diens bewindvoerder, medio september zijn laatste salaris heeft ontvangen, en in oktober nog € 292,- aan vakantiegeld. Zijn leefgeld per week is gewijzigd van de € 70,- naar € 50,-. Eind november heeft verzoeker weer een uitkering ontvangen. De maandelijkse huur bedraagt € 553,- en verzoeker krijgt € 216,- huurtoeslag. De huur van de maand november kan niet worden betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan op basis van bovenstaande gegevens niet worden vastgesteld dat verzoeker in een financiële noodsituatie verkeert. Daarbij komt met name betekenis toe aan het feit dat de uitkering ten tijde van de indiening van het verzoek (25 november 2020) was hersteld, en dat niet is gebleken van dreigende ontbinding van de huurovereenkomst. </para>
    <para />
    <para>6. Het verzoek om voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen reden. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier op 15 december 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier*		voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>* De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mee te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Als u het niet eens bent met deze uitspraak</title>
    <para>Tegen deze uitspraak is geen (hoger) beroep mogelijk. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>