<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:5506</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-12-08T11:13:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20_4721</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:CRVB:2022:2570" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2022:2570, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:5506">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:5506</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-29T11:17:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:5506 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 03-11-2020 / AWB 20_4721</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:5506:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>PW</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:5506:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Breda</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 20/4721 PW</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 3 november 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. C. van der Ent, advocaat te Breda,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een besluit van 5 november 2019 (primair besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres om haar bijzondere bijstand toe te kennen op grond van de Participatiewet afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een besluit van 16 januari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het college stelt zich, samengevat, op het standpunt dat de gevraagde bijzondere bijstand niet noodzakelijk is nu de kosten voor vloerbedekking en gordijnen zijn ontstaan door een verhuizing die wel wenselijk maar niet noodzakelijk was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 16 oktober 2020.</para>
      <para>Hierbij waren aanwezig eiseres, drs. [kantoorgenoot], kantoorgenoot van haar gemachtigde en voor het college mr. N.C.J.P. Melsen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1.	<emphasis role="italic">Feiten</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres ontvangt sinds 27 februari 2018 een bijstandsuitkering. Eiseres woonde samen met haar vijf minderjarige kinderen op het adres [adres] in [woonplaats]. Op 1 november 2019 is eiseres, samen met haar kinderen, verhuisd naar het adres [nieuw adres] in [woonplaats]. Het betrof een woningruil. Op 16 oktober 2019 heeft eiseres bij het college bijzondere bijstand aangevraagd voor inrichtingskosten, namelijk voor gordijnen en vloerbedekking.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>
      <?linebreak?>2. 	<emphasis role="italic">Het geschil</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geschil is of het college de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting terecht heeft afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.	<emphasis role="italic">De beoordeling </emphasis></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of de kosten van woninginrichting waarvoor eiseres bijzondere bijstand heeft aangevraagd noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet. </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Eiseres heeft aangevoerd dat de verhuizing naar een grotere woning, anders dan het college stelt, noodzakelijk was. Het gebrek aan ruimte in de oude woning leverde problemen op, met name voor haar kinderen die geen ruimte of rust hadden om huiswerk te maken. Omdat eiseres plotseling door middel van woningruil een grotere woning kon krijgen, heeft zij daarop financieel niet kunnen anticiperen. Haar vloer was al eens meeverhuisd en was niet geschikt om nogmaals te verhuizen en de gordijnen hadden niet de juiste maat. </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De door eiseres aangevoerde gronden slagen niet. De rechtbank stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat er voor de verhuizing van eiseres een medische noodzaak was. </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">Ook anderszins heeft eiseres de noodzaak voor de verhuizing niet aannemelijk gemaakt. </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">Uit wat eiseres heeft aangevoerd blijkt dat het voor haar weliswaar wenselijk was om te verhuizen, maar niet dat haar woonsituatie zodanig onhoudbaar was dat zij geen andere keuze had dan op korte termijn te verhuizen. Bezien vanuit het oogpunt van toepassing van de Participatiewet behoren de kosten die voortkomen uit de keuze van eiseres om te verhuizen voor haar rekening te blijven. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de kosten waarvoor eiseres bijzondere bijstand heeft aangevraagd geen noodzakelijke kosten zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet. </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in stand blijft. Voor een proceskosten-veroordeling is geen reden. </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both, griffier, op 3 november 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Als u het niet eens bent met deze uitspraak</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.  </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>