<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:5106</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-21T07:59:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-10-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 20_1031</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:CRVB:2022:714" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2022:714, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:5106">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:5106</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-21T12:16:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:5106 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-10-2020 / AWB- 20_1031</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:5106:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>ZW</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:5106:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 20/1031 ZW</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 21 oktober 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser, </bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen </emphasis>(UWV; kantoor Eindhoven), verweerder. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 januari 2020 (bestreden besluit) van het UWV over zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht van het griffierecht. Bij besluit van 27 februari 2020 heeft de rechtbank besloten dat eiser niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet. Eisers beroep daarop is dan ook afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 september 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen </title>
    <para>1.	<emphasis role="italic">Feiten en omstandigheden</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is werkzaam geweest als winkelmedewerker bij [naam onderneming] in [landnaam] . Voor dat werk is hij op 27 juni 2019 uitgevallen vanwege psychische klachten en spanningsklachten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het UWV heeft met ingang van 26 september 2019, na doorbetaling van eisers WW-uitkering gedurende 13 weken, aan hem een ZW-uitkering toegekend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 15 oktober 2019 (primair besluit) heeft het UWV eiser hersteld verklaard en de ZW-uitkering beëindigd met ingang van 18 oktober 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>2.	<emphasis role="italic">Omvang geschil</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geschil is of het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiser heeft beëindigd per 18 oktober 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.	<emphasis role="italic">Wettelijk kader</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft, wordt onder ‘zijn arbeid’ verstaan: de werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid (artikel 19, vijfde lid, van de ZW). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.	<emphasis role="italic">Arbeidsmaatstaf</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het werk als winkelmedewerker als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW moet worden aangemerkt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.	<emphasis role="italic">Medische beoordeling</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestreden besluit is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&amp;b) van het UWV.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur op 14 oktober 2019 en hem lichamelijk en een psychisch onderzocht. De verzekeringsarts heeft geen medische informatie opgevraagd. De verzekeringsarts geeft aan dat eiser is uitgevallen met psychische klachten en spanningsklachten. Met name werk gerelateerde aspecten hebben voor een toename van psychische en psychisch somatische klachten gezorgd. Eiser heeft bij zijn laatste werk in [landnaam] een traumatische ervaring gehad. Eiser werd op het werk gepest vanwege zijn geaardheid. Behoudens wisselende stemmingsklachten en spanningsklachten zijn er volgens de verzekeringsarts geen medisch objectiveerbare aandoeningen vastgesteld. Eiser is niet onder behandeling en slikt geen medicatie. Gezien deze bevindingen acht de verzekeringsarts eiser weer geschikt voor zijn eigen arbeid als winkelmedewerker. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verzekeringsarts b&amp;b heeft eiser gezien tijdens de hoorzitting, hem psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts b&amp;b heeft informatie van het Elisabeth Tweesteden Ziekenhuis van 6 januari 2020 in zijn onderzoek betrokken. Daarin is aangegeven dat eiser verwezen was door de internist vanwege depressieve klachten na een hiv-besmetting. Na onderzoek is besloten dat een medisch psychologische begeleiding niet is geïndiceerd. Er wordt gekeken naar mogelijke ACT-behandeling in de toekomst. De verzekeringsarts b&amp;b rapporteert geen aanleiding te zien af te wijken van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts b&amp;b ziet geen aanleiding het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat door de verzekeringsarts werd verricht voor onzorgvuldig te houden en hem is niet gebleken dat de verzekeringsarts een onjuist of onvolledig beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van eiser. Uit de medische informatie uit de bezwaarprocedure zijn geen nieuwe medische feiten naar voren gekomen. De verzekeringsarts b&amp;b concludeert dat er geen aanleiding bestaat om zijn standpunt te wijzigen na het beroepschrift. De verzekeringsarts b&amp;b deelt niet de visie van eiser dat er veel fouten zijn gemaakt. Voor de onjuistheden in de rapportages heeft de verzekeringsarts b&amp;b zijn excuses aangeboden. De beoordeling in bezwaar hoort niet afhankelijk te zijn van het gevoel van het begaan zijn met eiser. Volgens de verzekeringsarts b&amp;b zijn alle aspecten van de casus bij de beoordeling gewogen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van eiser</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd zich niet serieus genomen te voelen door de verzekeringsarts. Hij wordt niet begrepen door de verzekeringsarts. Eiser voert aan dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat er fouten in de rapportages staan. Eiser voert aan dat hij vele malen therapieën en verschillende medicijnen heeft gehad tegen zijn depressiviteit. Hij stelt dat het psychisch slecht met hem gaat. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapportage van de verzekeringsarts b&amp;b blijkt dat hij op de hoogte was van de door eiser gestelde klachten, waaronder de psychische klachten.  </para>
        <para>De verzekeringsartsen hebben naar die klachten onderzoek verricht. De verzekeringsartsen hebben eiser gezien en dossier onderzoek verricht. De verzekeringsartsen hebben eiser psychisch onderzocht en de verzekeringsarts heeft ook lichamelijk onderzoek verricht. Daarnaast heeft de verzekeringsarts b&amp;b medische informatie in zijn onderzoek betrokken. Daarmee acht de rechtbank het medisch onderzoek zorgvuldig. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verder heeft de verzekeringsarts b&amp;b voldoende gemotiveerd waarom hij van mening is dat eiser weer geschikt is om zijn eigen arbeid te verrichten. De verzekeringsarts b&amp;b heeft gesteld dat het ziekteproces dusdanig is verbeterd dat eiser voldoende belastbaar is om weer de maatgevende arbeid te hervatten. Eiser is op dit moment niet onder behandeling en slikt geen medicatie. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts b&amp;b. Eiser heeft in beroep geen medische informatie overgelegd. Dat kan dus geen aanleiding geven om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts b&amp;b. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Eiser voert aan dat hij niet geschikt is om zijn arbeid als winkelmedewerker uit te voeren, omdat hij lijdt aan depressiviteit. Eiser heeft echter geen medische stukken overlegd waaruit blijkt dat hij lijdt aan depressiviteit. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen op basis van het medische onderzoek kunnen concluderen dat er met ingang van 18 oktober 2019 geen objectiveerbare belemmering voor eiser meer bestaan om het eigen werk te verrichten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank oordeelt daarom dat de beroepsgronden van eiser niet kunnen slagen en dat het UWV op goede gronden de ZW-uitkering van eiser heeft beëindigd per 18 oktober 2019. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>6.	<emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Er is geen reden een proceskostenveroordeling uit te spreken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Azmi, griffier, op 21 oktober 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>