<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:4832</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-29T09:01:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-10-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 20_8346 VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:4832">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:4832</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-29T09:00:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:4832 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-10-2020 / AWB- 20_8346 VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:4832:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag tegemoetkoming loonkosten</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:4832:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 20/8346 VV</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 8 oktober 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster] B.V. te [plaats], verzoekster,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid </bridgehead>
    <para>namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder. </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 juni 2020 van de minister inzake de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar. Ook heeft zij bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juli 2020 van de minister inzake de afwijzing van haar aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de Tweede tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (Now2). Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW). Met het besluit van 8 april 2020 is de aanvraag afgewezen. Verzoeksters bezwaar tegen dit besluit is met het besluit van <?linebreak?>25 juni 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft tegen dat besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dat verzoek is afgewezen in een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 16 juli 2020, zaaknummer BRE 20/7390 NOW. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft eveneens een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming op grond van de Now2. Met het besluit van 8 juli 2020 is de aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dat verzoek is afgewezen in een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 28 juli 2020, zaaknummer BRE 20/7438 NOW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Op 7 september 2020 heeft verzoekster het nu voorliggende verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, opnieuw in het kader van de procedures tegen voornoemde besluiten. Verzoekster heeft, kort samengevat, de voorzieningenrechter gevraagd om het UWV te verplichten tot het binnen 24 uur betalen van diverse voorschotbedragen over meerdere tijdvakken van de NOW, Now2 en Now3, een voorschotbedrag aan de gemachtigde van verzoekster, een voorschot op de schadevergoeding en een dwangsom. Verder is verzocht om het verlenen van uitstel van betaling en om het UWV te verbieden onrechtmatige of beperkende maatregelen jegens de gemachtigde van verzoekster te ondernemen.</para>
    <para />
    <para>3. De voorzieningenrechter stelt vast dat sprake is van een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening. In de uitspraken van 16 en 28 juli 2020 zijn immers al voorlopige oordelen gegeven over de nu in geding zijnde besluiten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens artikel 8:85 van de Awb is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel bedoeld om te gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan daarom slechts voor toewijzing in aanmerking komen, indien de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden, die toewijzing van een dergelijk verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval indien sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. Dit blijkt uit vaste rechtspraak van de hoogste rechter in dit soort zaken, de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 december 2012, ECLI:NL: CRVB:2012:BY5481).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Bij brief van 8 september 2020 heeft de voorzieningenrechter verzoekster daarom verzocht om aan te geven welke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan die het herhaalde verzoek om een voorlopige voorziening kunnen rechtvaardigen. Verzoekster heeft niet gereageerd op deze brief. Van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden is de rechtbank ook niet gebleken, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 8 oktober 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier			voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Als u het niet eens bent met deze uitspraak</title>
    <para>Tegen deze uitspraak is geen (hoger) beroep mogelijk.  </para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>