<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:4111</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-03T14:23:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-08-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02/375407 HA RK 20-168</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:4111">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:4111</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-03T14:21:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:4111 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-08-2020 / 02/375407 HA RK 20-168</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:4111:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>wraking</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:4111:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Wrakingskamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Procedurenummer: 02/375407 HA RK 20-168</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing van 31 augustus 2020 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] ,</para>
      <para>domicilie kiezend aan de [adres]</para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>gemachtigde mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het verzoek tot wraking, met bijlagen, door de rechtbank ontvangen op 5 augustus 2020;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de reactie van de gewraakte rechter, door de rechtbank ontvangen op 12 augustus 2020;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 24 augustus 2020, waarbij aanwezig was: de advocaat van verzoeker. De gewraakte rechter en de officier van justitie zijn, met bericht aan de rechtbank, niet ter zitting verschenen. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verzoek strekt tot wraking van mr. Van Kralingen, optredend als raadkamer-rechter (hierna: de rechter), inzake een vordering verlenging gevangenhouding, in de zaak met parketnummer [nummer] op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in zijn wrakingsverzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de hoofdzaak wordt verzoeker verdacht van het bezit van een vuurwapen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het standpunt van verzoeker</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt doordat:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>ter zitting de door het Openbaar Ministerie toegezonden stukken wel werden voorgehouden, maar de door de verdediging toegezonden stukken niet;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>ter zitting duidelijk werd dat de rechter de stukken van de verdediging niet had gelezen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>in de beslissing niet wordt ingegaan op het door de verdediging gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer, terwijl wel is beslist op een niet gedaan schorsingsverzoek;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>in de beslissing feitelijke onjuistheden staan, waardoor het lijkt dat niet naar de verdediging is geluisterd, de beslissing al voorafgaande aan de raadkamer vaststond en al grotendeels op papier was gezet;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een zeer summier proces-verbaal van de zitting is opgesteld. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Het standpunt van de rechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter heeft aangevoerd dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het is ingediend nadat de rechter reeds een beslissing had gegeven en dus te laat is ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 512 Sv kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelt wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 513, eerste lid, Sv, wordt het verzoek tot wraking gedaan, zodra de feiten of omstandigheden als hiervoor bedoeld aan de verzoeker bekend zijn geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt dient, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>De wrakingskamer overweegt dat het middel van wraking dient om te kunnen beoordelen de in 6.2 bedoelde vrees, ten aanzien van een specifieke rechter in een specifieke zaak, objectief gerechtvaardigd is. Wrakingszaken gaan over de rol van een specifieke rechter en niet, zoals verzoeker betoogt, om de bescherming van de algemene rechterlijke onpartijdigheid als fundamenteel rechtsbeginsel.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>De wrakingskamer overweegt voorts dat de rechter alleen over de verlenging gevangenhouding moest beslissen en dat die zaak, met de beslissing van 29 juli 2020, ten einde is gekomen. Verzoeker voert aan dat een wraking ter zitting vanwege corona nagenoeg onmogelijk was, maar hij of zijn raadsman hadden kunnen verzoeken om een schorsing van de zitting om zich te beraden op een mogelijk verzoek tot wraking. Voor zover het verzoek niet ziet op de beslissing zelf, is het dus te laat ingediend (vgl. rechtbank Rotterdam 23 januari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BY9429). Er kan niet vooruit worden gelopen op de mogelijkheid dat de rechter ook zal optreden in de hoofdzaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>De wrakingskamer overweegt tot slot dat een rechterlijke beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Ook de motivering van de beslissing, of het ontbreken daarvan, kan geen grond voor wraking vormen. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>De beslissing is een eindbeslissing en kan naar het oordeel van de wrakingskamer geen grond voor wraking vormen. Immers, nadat een eindbeslissing is genomen, kan verzoeker het doel waarvoor een wraking dient niet langer bereiken. Omdat de behandeling van de vordering verlenging gevangenhouding is beëindigd, kan niet meer worden bereikt dat de rechter – die volgens verzoeker vooringenomen is jegens hem, dan wel ten aanzien waarvan hij vreest dat hij vooringenomen is – geen bemoeienis met de beslissing op die vordering zal hebben. Het beroep op de in overweging 6.5 genoemde uitzondering kan verzoeker reeds hierom niet baten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande is het verzoek naar het oordeel van de wrakingskamer te laat ingediend. Dit leidt ertoe dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn wrakingsverzoek.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 31 augustus 2020, door mr. Peters, voorzitter, mr. Kok en mr. Breeman, leden van de wrakingskamer, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Van Wijk, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>