<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:3743</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-30T16:02:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-08-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 20_6146</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:3743">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:3743</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-30T16:02:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:3743 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-08-2020 / AWB- 20_6146</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:3743:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WET</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:3743:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 20/6146 WET</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 11 augustus 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres], te [plaatsnaam], eiseres, </bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. E.I.A. de Cock,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Officier van Justitie van het Arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant </bridgehead>
    <para>(de OvJ), verweerder.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de OvJ op haar verzoek om handhaving.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen </title>
    <para>1.	<emphasis role="italic">Feiten en omstandigheden</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft bij brief van 6 november 2019 aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college) verzocht om handhavend op te treden tegen het illegaal parkeren van auto’s op het trottoir voor haar woning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 3 februari 2020 heeft het college dit handhavingsverzoek doorgestuurd aan het Openbaar Ministerie Zeeland-West-Brabant, omdat niet hij het bevoegde gezag is maar de OvJ.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de brief van 18 maart 2020 heeft eiseres de OvJ in gebreke gesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 21 april 2020 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit door de OvJ op haar handhavingsverzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.	<emphasis role="italic">Verweer </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De OvJ stelt dat de gemeente Breda - kennelijk vanwege een slepend conflict tussen buren - heeft besloten de in geding zijnde parkeersituatie te gedogen om te voorkomen dat hij instrument en wapen wordt in dat conflict. De OvJ is echter niet bevoegd om zich uit te laten over dat (gedoog)beleid en de wijze waarop de bijzonder opsporingsambtenaren (BOA) van de gemeente Breda gebruik maken van hun discretionaire bevoegdheid. De OvJ heeft wel een toezichthoudende rol ten aanzien van de BOA, maar deze ziet alleen op het geven van algemene aanwijzingen over de wijze van optreden en niet op het sturen in concrete gevallen. Ondanks dat de OvJ formeel niet bevoegd/verantwoordelijk is, heeft hij in het belang van eiseres meerdere malen actie ondernomen om de zaak in goede banen te leiden en de gemeente Breda te overtuigen openheid van zaken te geven waarom niet handhavend wordt opgetreden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.	<emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft verzocht om handhavend op te treden tegen het illegaal parkeren op het trottoir voor haar woning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank leest dit verzoek aldus dat eiseres wenst dat de OvJ overgaat tot opsporing en vervolging van strafbare feiten/illegale parkeeractiviteiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1:6 van de Awb bepaalt, voor zover hier van belang, dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling wordt het volgende opgemerkt:</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">"De Awb zal niet van toepassing zijn op de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Zou deze uitzondering niet in de wet worden opgenomen, dan zouden ook de typisch in de sfeer van de strafvordering en de executie gelegen besluiten en handelingen van de betrokken bestuursorganen (de algemene en bijzondere opsporingsambtenaren, het openbaar ministerie en de Minister van Justitie) onder het bereik van de wet vallen. Gelet op de eigenstandige positie van het (materiële en formele) strafrecht en op het feit dat de strafrechtelijke regelgeving uitputtend is bedoeld, zou dat tot een ongewenste vermenging van rechtssferen leiden." </emphasis>(TK 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 43).  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet hierop acht de rechtbank zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een besluit door de OvJ op haar handhavingsverzoek en van haar verzoek om dwangsommen vast te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.	<emphasis role="italic">Proceskosten </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een veroordeling van de OvJ in de proceskosten van eiseres bestaat geen aanleiding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een besluit door de OvJ op haar handhavingsverzoek. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. H.D. Sebel, griffier, op 11 augustus 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>