<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:3549</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-13T10:43:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBZWB:2020:3325</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/7019</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:3549">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:3549</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-31T14:13:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:3549 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-07-2020 / 20/7019</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:3549:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opleggen last onder dwangsom o.g.v. artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo (zonder omgevingsvergunning bouwen van een uitbouw op het voorerf)</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:3549:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 20/7019 GEMWT VV </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 13 juli 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. A.J. van Nieuwenhuijse,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis, </bridgehead>
    <para>verweerders.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Procesverloop </title>
    <para>Bij besluit van 19 september 2019 (primair besluit) heeft het college verzoekster als eigenaresse van de recreatiewoning aan [adres vakantiewoning] op vakantiepark [naam vakantiepark] te [plaats vakantiepark] gelast:</para>
    <para>a. 	binnen twee weken na dagtekening van het besluit de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo (zonder omgevingsvergunning bouwen van een uitbouw op het voorerf) op te heffen door een vergunning aan te vragen of de bouwwerkzaamheden ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom van € 2.000,- ineens;</para>
    <para>b. 	de overtreding van artikel 2:28 van de APV (zonder exploitatievergunning logies en drank verstrekken) op te heffen door exploitatie van de recreatiewoning per omgaande te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- ineens;</para>
    <para>c. 	de overtreding van artikel 3 van de DHW (zonder vergunning alcoholhoudende drank verstrekken) op te heffen door per omgaande het verstrekken van alcoholhoudende dranken te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 680,- ineens;</para>
    <para>d. 	de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo (handelen in strijd met de bestemming ‘recreatie-verblijfsrecreatie’) op te heffen door het beschikbaar stellen van de recreatiewoning zonder overnachting en het niet onder gezamenlijk beheer exploiteren van de recreatiewoning te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 6.000,- ineens.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Het college heeft dit bezwaar bij besluit van 15 mei 2020 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft daartegen beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 13 juli 2020. </para>
      <para>Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Cijsouw. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para>1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening hier niet aanwezig is. Het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening is alleen gelegen in het zelf willen verhuren van de recreatiewoning. Dit hangt samen met de last zoals die onder sub d aan verzoekster is opgelegd. Het spoedeisend belang is niet gelegen in de mogelijkheid van verkoop van alcohol. Verzoekster heeft de verkoop van alcohol ook gestaakt. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat het niet mogelijk is haar recreatiewoning via het vakantiepark te verhuren. Verzoekster heeft dat wel gesteld, maar het blijkt niet uit de stukken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter onderbouwing van haar stelling dat er sprake is van een spoedeisend belang heeft verzoekster daarnaast haar financiële situatie toegelicht. Volgens verzoekster is zij voor haar inkomsten volledig afhankelijk van de verhuur van de recreatiewoning en heeft zij een beperkt vermogen. Ook daarover heeft verzoekster geen stukken overgelegd. Volgens de verklaring ter zitting heeft verzoekster twee woningen en moet zij haar eigen woning, of de recreatiewoning verkopen wanneer zij de recreatiewoning niet kan verhuren. De voorzieningenrechter begrijpt dat dat wrang is, maar met de verkoop van één van de woningen worden verzoekster en de kinderen niet dakloos. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de financiële situatie van verzoekster niet zodanig ernstig dat sprake is van een spoedeisend belang. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tot slot neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het college ter zitting heeft toegezegd dat pas tot verdere feitelijke invordering van de verbeurde dwangsom wordt overgegaan, als het invorderingsbesluit onherroepelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Omdat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. </para>
    <para />
    <para>4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 13 juli 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>