<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:3535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-13T10:43:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBZWB:2020:3199</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/6549</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:3535">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:3535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-30T15:35:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:3535 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-07-2020 / 20/6549</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:3535:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitspraak proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:3535:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 20/6549 VV</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van 17 juli 2020 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam verzoekster], wonende te [woonplaats verzoeker], verzoekster, </bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. C. van der Ent, advocaat te Breda</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout</emphasis>, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para>Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 mei 2020 (bestreden besluit) van het college inzake de korting (vanwege alimentatie-inkomsten) van haar bijstandsuitkering.   Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In haar bezwaarschrift heeft verzoekster gesteld dat zij weliswaar recht heeft op alimentatie, maar dat haar ex-partner tot op heden nog geen alimentatie heeft betaald. Deze stelling is voor het college aanleiding geweest om de korting op de uitkering ongedaan te maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college  heeft op dit verzoek gereageerd. Het college stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet voor de weg van bezwaar en voorlopige voorziening had hoeven te kiezen. Volgens het college had de bewindvoerder van verzoekster zelf contact had kunnen opnemen met het college. Deze zaak zou na een enkel telefoontje op een simpele manier opgelost zijn. Het college verzoekt de voorzieningenrechter om hiermee rekening te houden bij de proceskostenveroordeling door uit te gaan van wegingsfactor 0,5.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De reactie van het college is bij brief van 25 juni 2020 aan verzoekster toegestuurd. Zij heeft op het standpunt van het college niet meer gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para>1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in samenhang bezien met artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen. </para>
    <para>2. Niet in geschil is dat het college aan verzoekster is tegemoetgekomen. Vast staat echter ook dat verzoekster niet heeft geprobeerd om het college ertoe te bewegen de korting ongedaan te maken voordat het verzoek om voorlopige voorziening werd ingediend. <?linebreak?>De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat het college in dat geval meteen al was teruggekomen op het bestreden besluit als verzoekster dan wel haar bewindvoerster aan het college meegedeeld zou hebben dat de alimentatie niet betaald werd. Een voorlopige voorziening was dan niet nodig geweest. Het college heeft voorgesteld om de helft van de proceskosten te vergoeden. Gelet op wat hiervoor is overwogen vindt de voorzieningenrechter dit redelijk. De voorzieningenrechter zal de proceskosten daarom vaststellen op de helft van het forfaitaire bedrag dat staat voor het indienen van een verzoekschrift. Het forfaitaire bedrag is € 525,-- zodat de proceskosten op € 262,50 worden vastgesteld. Tevens ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 262,50;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt het college op het betaalde griffierecht van € 48,-- aan verzoekster te vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 17 juli 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>griffier*					voorzieningenrechter</para>
      <para>
        <?linebreak?>* De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Als u het niet eens bent met deze uitspraak</title>
    <para>Tegen deze uitspraak is geen (hoger) beroep mogelijk. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>