<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:3244</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-23T13:00:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02/373992 HA RK 20-138</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:3244">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:3244</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-22T10:37:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:3244 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-07-2020 / 02/373992 HA RK 20-138</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:3244:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wraking</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:3244:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Wrakingskamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Procedurenummer: 02/373992 HA RK 20-138</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing van 21 juli 2020 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [plaatsnaam] ,</para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>gemachtigde J.A. Cardol.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het proces-verbaal van de zitting van 24 juni 2020 van de enkelvoudige belastingkamer van deze rechtbank, belast met de behandeling van de hierna te noemen belastingzaak (hierna: de hoofdzaak), tijdens welke zitting het verzoek tot wraking is gedaan;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de reactie van de gewraakte rechter, waarin hij tevens aangeeft niet in de wraking te berusten, gedateerd 29 juni 2020;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de toelichting op het wrakingsverzoek van de gemachtigde van verzoeker, ontvangen op 6 juli 2020;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak, waaronder de in de hoofdzaak genomen tussenbeslissing van 28 januari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:341, tot weigering van de heer [naam] (hierna: [naam] ) als gemachtigde van belanghebbende;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 8 juli 2020, waarbij aanwezig waren: de gewraakte rechter, mr. M.R.T. Pauwels, en namens de wederpartij in de hoofdzaak, de inspecteur van de Belastingdienst, mr. B.H. Bouman en A. van Bockel.  </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verzoek strekt tot wraking van mr. M.R.T. Pauwels (hierna: de rechter), belast met de behandeling van het door verzoeker ingediende beroep in de zaak met zaaknummer BRE 19/331, op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in het wrakingsverzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de hoofdzaak heeft verzoeker beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de door verzoeker op aangifte voldane belasting van personenauto’s en motorrijwielen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het standpunt van verzoeker</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt doordat:</para>
      <para> de rechter de zaak niet, voordat einduitspraak wordt gedaan, heeft willen terugwijzen naar de inspecteur om verzoeker alsnog te horen in bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Het standpunt van de rechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter heeft aangevoerd dat:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het aan de rechter is voorbehouden of deze al dan niet een (voorlopig) oordeel wil geven ter zitting. Een dergelijke (proces)beslissing is geen grond voor wraking. Overigens valt naar haar aard niet in te zien hoe een dergelijke (niet-)beslissing kan leiden tot vrees voor vooringenomenheid;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een volgend verzoek tot wraking in de hoofdzaak niet in behandeling moet worden genomen. Het onderhavige wrakingsverzoek is het tweede wrakingsverzoek in de hoofdzaak. Beide wrakingsverzoeken zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden die evident geen grond voor wraking kunnen vormen, gelet op gevestigde jurisprudentie. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Het standpunt van de inspecteur</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De inspecteur heeft aangevoerd dat:</para>
      <para> sprake is van misbruik van procesrecht. Ook in de bezwaarfase worden de zaken getraineerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>7</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordelingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:15 van de Awb kan een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen, wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek tot wraking gedaan, zodra de feiten of omstandigheden als hiervoor bedoeld aan de verzoeker bekend zijn geworden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>De wrakingskamer overweegt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Ook de motivering van de tussenbeslissing, of het ontbreken daarvan, kan geen grond voor wraking vormen. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van de wrakingsgrond</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4.</nr>
      <para>De wrakingsgrond ziet op het niet nemen van een tussenbeslissing. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan dit, gelet op het overwogene in 7.3, geen grond voor wraking vormen. Niet is gebleken dat de motivering van (het niet nemen van) de (tussen)beslissing niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dan ook niet gebleken dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer zal het verzoek dan ook afwijzen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.5.</nr>
      <para>In de toelichting op het wrakingsverzoek van de gemachtigde van verzoeker, ontvangen op 6 juli 2020, wordt verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Dit verzoek is tardief en wordt daarom niet in behandeling genomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.6.</nr>
      <para>Tot slot ziet de wrakingskamer aanleiding om op de voet van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb te bepalen dat een volgend verzoek om wraking niet in behandeling zal worden genomen. Uit de toelichting op het wrakingsverzoek, ontvangen op 6 juli 2020, maakt de wrakingskamer op dat verzoeker een bijzonder sterk wantrouwen koestert tegenover de rechter. Dit wantrouwen heeft er toe geleid dat verzoeker de rechter in de hoofdzaak nu twee keer heeft gewraakt. Door het doen van wrakingsverzoeken op de wijze waarop dat is gedaan, heeft verzoeker naar het oordeel van de wrakingskamer misbruik gemaakt van                  het recht om de rechter te wraken. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer: BRE 19/331 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van dit verzoek;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in die zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 21 juli 2020, door mr. Peters, voorzitter, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en mr.  Kok, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. Vvan Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
      <para>Bij afwezigheid van de voorzitter is de beslissing ondertekend door mr.  Kok.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>