<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:227</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T15:38:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB- 19_3490</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:CRVB:2022:372" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2022:372, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:227">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:227</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-17T15:37:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:227 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 15-01-2020 / AWB- 19_3490</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:227:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WIA</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:227:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Breda</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 19/3490 WIA</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2020 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser] , te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat te Breda</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis> (UWV)<emphasis role="bold">, </emphasis>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 19 november 2018 (primaire besluit) heeft het UWV eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van <?linebreak?>1 december 2018 gewijzigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 29 mei 2019 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het UWV heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 17 december 2019. Hierbij waren aanwezig eisers gemachtigde en voor het UWV mr. [naam persoon] . </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1.	<emphasis role="italic">Feiten en omstandigheden</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is op 27 februari 2016 vanuit een werkloosheidssituatie ziek geworden. Op 4 januari 2018 heeft hij bij het UWV een aanvraag om een WIA-uitkering ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 februari 2018 heeft het UWV aan eiser met ingang van 26 februari 2018 (voorschotten op) een WIA-uitkering toegekend. Bij besluit van 24 juli 2018 is de WIA-uitkering definitief toegekend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 december 2018 ontvangt eiser een pensioenuitkering uit Duitsland. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het primaire besluit heeft het UWV zijn besluit van 24 juli 2018 ingetrokken en de WIA-uitkering van eiser gewijzigd, in die zin dat de Duitse pensioenuitkering op zijn WIA-uitkering in mindering wordt gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. 	<emphasis role="italic">Bestreden besluit </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het UWV stelt dat eisers Duitse pensioenuitkering aangemerkt dient te worden als inkomen voor de WIA en terecht in mindering is gebracht op zijn WIA-uitkering. Volgens het UWV voldoet eiser niet aan de criteria van artikel 3:3, negende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB), nu de ingangsdatum van zijn Duitse pensioen niet is gelegen vóór zijn eerste ziektedag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. 	<emphasis role="italic">Standpunt van eiser</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft in beroep samengevat aangevoerd dat zijn Duitse pensioenuitkering is gerelateerd aan zijn arbeidsjaren in Duitsland over de periode 1 januari 1992 tot en met 30 september 2004. Eisers WIA-uitkering komt voort uit zijn arbeidzame jaren in Nederland nadien. <?linebreak?>Eiser stelt dat de ratio van artikel 3:3, negende lid, van het AIB is dat pensioengelden die gerelateerd zijn aan het dienstverband van waaruit de WIA-aanspraak is ontstaan, in mindering op die uitkering moeten worden gebracht. Dat is hier echter niet aan de orde omdat het pensioen toe te rekenen is aan een ander dienstverband van vele jaren terug in Duitsland. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.	<emphasis role="italic">Wettelijk kader</emphasis></para>
    <para>
      <?linebreak?>Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.<?linebreak?></para>
    <para>5.	<emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter beoordeling ligt aan de rechtbank voor of het UWV eisers Duitse pensioenuitkering op goede gronden met ingang van 1 december 2018 als inkomen in mindering heeft gebracht op zijn WIA-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het bestreden besluit heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat dit terecht is, omdat artikel 3:3, negende lid, van het AIB niet van toepassing is. Eisers pensioenuitkering is pas ingegaan nadat de wachttijd voor de WIA was begonnen. Daarom is er geen aanleiding om dat pensioen niet, op grond van artikel 3:3, eerste lid, van het AIB, als inkomen aan te merken en niet in mindering te brengen op eisers WIA-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In beroep heeft het UWV verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR2708) en ter zitting expliciet naar het Besluit samenloop.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat eisers Duitse pensioenuitkering dient te worden aangemerkt als een ouderdomsuitkering, dan wel enige andere uitkering, die in verband met het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd is toegekend, zoals bedoeld in het Besluit samenloop, en daarom in mindering dient te komen op eisers WIA-uitkering. Dat eisers Duitse pensioen voortkomt uit een andere dienstbetrekking dan van waaruit hij een WIA-uitkering ontvangt, zoals hij heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Uit het Besluit samenloop blijkt namelijk dat slechts van belang is dát een pensioenuitkering wordt toegekend en niet hoe deze is ontstaan of opgebouwd. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>6.	<emphasis role="italic">Conclusie</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het UWV eisers Duitse pensioenuitkering terecht met ingang van 1 december 2018 in mindering heeft gebracht op zijn WIA-uitkering, zij het aanvankelijk met een onjuiste motivering op basis van een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank ziet daarin aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen met instandlating van de rechtsgevolgen daarvan.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7.	<emphasis role="italic">Proceskosten en griffierecht</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Ook zal de rechtbank het UWV veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Die kosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht en worden vastgesteld op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van </para>
      <para>€ 525,-).</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit:</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden:</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. H.D. Sebel, griffieren is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Als u het niet eens bent met deze uitspraak </title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">BIJLAGE</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wettelijk kader</title>
    <para>
      <?linebreak?>Artikel 52 van de WIA bepaalt:</para>
    <para>1. Op de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt per kalendermaand in mindering gebracht:</para>
    <parablock>
      <para>0,7 x A x B/C waarbij:</para>
      <para>A staat voor inkomen per kalendermaand;</para>
      <para>B staat voor het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is berekend;</para>
      <para>C staat voor het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.</para>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para>4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 3:3, tweede lid, aanhef en onder c, van het AIB wordt, ingeval van een uitkeringsgerechtigde voor wie naast recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen recht bestaat op een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, of een op basis van een wettelijke regeling verstrekte uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt, tevens onder inkomen verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op loon, bezoldiging respectievelijk uitkering. </para>
      <para>Op van het negende lid van dit artikel wordt, voor zover de uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, recht heeft op een uitkering als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, die uitkering niet aangemerkt als inkomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1 van het Besluit voorkoming en beperking samenloop WAO- en Wet WIA-uitkeringen met uitkeringen op grond van de sociale wetgeving van een andere Mogendheid bepaalt: </para>
    </parablock>
    <para>1. Bij samenloop over eenzelfde tijdvak van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met één of meer van de navolgende ingevolge de sociale wetgeving van één of meer andere Mogendheden toegekende uitkeringen: </para>
    <para>a. uitkering wegens arbeidsongeschiktheid;</para>
    <para>b. wezenuitkering;</para>
    <para>c. ouderdomsuitkering, dan wel enige andere uitkering, welke in verband met het bereikt hebben van een bepaalde leeftijd is toegekend, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald, indien en voor zover deze het totale bedrag van de onder a t/m c bedoelde uitkeringen overtreft.</para>
    <para>(…)</para>
    <para>3. Het eerste lid en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de uitkeringen op grond van de hoofdstukken 6 en 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen met dien verstande dat onder arbeidsongeschiktheid wordt verstaan: volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid als bedoeld in die wet.	</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>