<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:1794</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-21T10:02:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 20_4853</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:1794">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:1794</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-15T11:14:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:1794 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 14-04-2020 / AWB 20_4853</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:1794:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WET</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:1794:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer BRE 20/4853 WET</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 14 april 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres, gemachtigde: mr. K.J. Breedijk, </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister voor Medische Zorg en Sport</emphasis>, gevestigd te ‘s-Gravenhage, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van de minister op de herziene aanvraag tot aanwijzing als opleidingsinstelling voor het verzorgen van de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft vervolgens toepassing gegeven aan artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat een behandeling ter zitting achterwege is gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op 1 augustus 2018 aan de minister gevraagd om haar aan te wijzen als opleidingsinstelling voor het verzorgen van de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 31 juli 2019 heeft de minister de aanvraag afgewezen. Op 21 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep – voor zover hier van belang – ongegrond verklaard<footnote-ref linkend="_ff59f09a-5382-4784-b52f-6ef1f21d1cff" />. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 6 november 2019 heeft eiseres opnieuw een aanvraag ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 19 december 2019 heeft de minister laten weten dat aan de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen en Psychotherapeuten (FGzPT) is gevraagd om binnen vier maanden advies uit te brengen over de aanvraag. Na ontvangst van het advies zal de minister binnen zes weken een besluit nemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 13 januari 2020 heeft eiseres zich verzet tegen de inschakeling van FGzPT als adviseur. Eiseres stelt dat de minister in gebreke is gebleven op het verzoek te beslissen en heeft de minister verzocht dit alsnog binnen vier weken te doen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 6 februari 2020 wijst de minister de ingebrekestelling af omdat de beslistermijn tijdig is verlengd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 18 februari 2020 geeft de minister nogmaals aan de aanvraag van eiseres voor advies aan FGzPT te willen voorleggen. De minister verzoekt eiseres om aan te geven of zij wenst mee te werken aan een visitatie door FGzPT en kondigt aan dat de termijnen uit de brief van 19 december 2019 zullen opschuiven met de sindsdien verstreken tijd tot de datum waarop de reactie van eiseres op deze brief is ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 19 februari 2020 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 9 maart 2020 heeft de minister een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld<footnote-ref linkend="_2f7690a4-d44b-42f1-9957-596478804d80" />. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en 2 weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen<footnote-ref linkend="_0dbfffc0-32bd-4ccc-95ed-d4270b5f967d" />.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat er geen bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn is, waarbinnen op een aanvraag om aanwijzing als opleidingsinstelling tot gezondheidspsycholoog moet worden beslist<footnote-ref linkend="_2025a28d-d260-4536-8235-69f5e6f4ce04" />. De minister dient dus binnen 8 weken na de ontvangst van de aanvraag te beslissen, tenzij de minister binnen die termijn van 8 weken heeft laten weten meer tijd nodig te hebben, waarbij een redelijke termijn moet worden genoemd<footnote-ref linkend="_9895aae3-e85d-494d-8a87-79c15f35ddda" />. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beslistermijn</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aanvraag is gedateerd op 22 oktober 2019 en op 6 november 2019 door de raadsman van eiseres per mail ingediend. De termijn van 8 weken loopt dus tot en met 31 december 2019. Op 19 december 2019 heeft de minister aan eiseres laten weten meer tijd nodig te hebben. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat deze mededeling tijdig is gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister noemt een termijn van 4 maanden voor een advies van FGzPT en daarna nog </para>
    </parablock>
    <para>6 weken om een besluit te nemen. De termijnen gaan lopen zodra eiseres heeft aangegeven of zij meewerkt aan het onderzoek door FGzPT. Eiseres heeft de minister nog niet bericht of zij medewerking verleent of niet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht de door de minister voorgestelde termijnen redelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat de minister op 19 februari 2020 niet in gebreke was tijdig een beslissing te nemen op het verzoek van eiseres.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling dan wel het vaststellen van een dwangsom bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">3.	Beslissing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.P. Hertsig, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 14 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. <?linebreak?>De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te tekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>rechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ff59f09a-5382-4784-b52f-6ef1f21d1cff" label="1">
    <para> uitspraak van deze rechtbank in de zaak met zaaknummer BRE 19/2148 WET</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2f7690a4-d44b-42f1-9957-596478804d80" label="2">
    <para> artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0dbfffc0-32bd-4ccc-95ed-d4270b5f967d" label="3">
    <para> artikel 6:12, tweede lid, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2025a28d-d260-4536-8235-69f5e6f4ce04" label="4">
    <para> artikel 4:13, eerste lid, van de Awb </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9895aae3-e85d-494d-8a87-79c15f35ddda" label="5">
    <para> artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, gelezen in combinatie met artikel 4:14, derde lid, van de Awb</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>