<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:1496</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T10:21:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE - 19 _ 2749</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#geheimhoudingsbeslissing">Geheimhoudingsbeslissing</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:29&amp;g=2013-01-01">Algemene wet bestuursrecht 8:29</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2020/1077</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2020/25.15</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2020/1036</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2020/1765 met annotatie van Mr. dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-1289</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020042205</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:1496">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:1496</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-03T12:06:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:1496 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2020 / BRE - 19 _ 2749</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:1496:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Artikel 8:29 van de Awb</para>
        <para>Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is het beroep van de inspecteur op geheimhouding gerechtvaardigd.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:1496:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Belastingrecht, geheimhoudingskamer </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummers BRE 19/2749 tot en met 19/2758</para>
      <para>Beslissing van 26 maart 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, wonende te [woonplaats],</para>
      <para>belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst,</emphasis>
      </para>
      <para>de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Geen zitting </emphasis>
      </para>
      <para>De geheimhoudingskamer van de rechtbank (hierna: de geheimhoudingskamer) heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:7). Daar komt bij dat beide partijen al dan niet op verzoek van de rechtbank niet kenbaar hebben gemaakt een mondelinge behandeling ter zake van het verzoek om geheimhouding wenselijk te achten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>1</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De geheimhoudingskamer van de rechtbank beslist dat gerechtvaardigd is de weigering als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb door de inspecteur om de stukken aan zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij over te leggen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Gronden</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij brief van 21 oktober 2019 heeft de inspecteur in aanvulling op zijn verweerschrift een verzoek als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gedaan, en daarbij een gesloten envelop overgelegd met daarin stukken voor de geheimhoudingskamer van de rechtbank. De envelop bevat de ongeschoonde versies van interne aantekeningen en een drietal interne e-mailberichten van medewerkers van de Belastingdienst c.q. de FIOD waarvoor om geheimhouding wordt verzocht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bij brief van 21 november 2019 op het verzoek van de inspecteur gereageerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming en het honoreren van een verzoek om geheimhouding is als volgt (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:7):</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door de inspecteur worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding). (Weigering als bedoeld in lid 1 van art. 8:29 van de Awb door de inspecteur om (delen van de) stukken aan zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij over te leggen is gerechtvaardigd.)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>In artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is bepaald, dat variant b alleen is toegestaan met toestemming van de belastingplichtige. Nu belanghebbende hiervoor geen toestemming heeft verleend, zal de rechtbank, mede uit het oogpunt van een doelmatige procesgang, het verzoek van de inspecteur als een verzoek om toepassing van variant a (geheimhouding) aanmerken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De geheimhoudingskamer heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de geheimgehouden stukken en de stukken van de hoofdzaak en heeft deze onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de redenen van de inspecteur om die stukken integraal geheim te houden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van een 'criminal charge' in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Nu aan belanghebbende belastingaanslagen met boeten zijn opgelegd, dient bij het geheimhouden van stukken de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding zijn:</para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para> het belang van de inspecteur om in vrijheid en vertrouwelijkheid intern beraad te voeren, en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het belang van intern beraad en intercollegiale toetsing in het kader van een zorgvuldige besluitvorming.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Belanghebbende verzet zich tegen geheimhouding, omdat volgens belanghebbende geen sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. Volgens belanghebbende weegt het belang van de inspecteur niet aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming. Belanghebbende verzoekt de geheimhoudingskamer te beoordelen of sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen en refereert zich aan haar oordeel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de stukken ter zake waarvan is verzocht om geheimhouding interne aantekeningen en e-mailberichten betreffen aangaande intern beraad en intercollegiale toetsing in het kader van het controleonderzoek met betrekking tot belanghebbende. Het belang van vrije bepaling van procespositie kan een belang zijn dat geheimhouding van stukken op grond van artikel 8:29 van de Awb kan rechtvaardigen (vgl. conclusie van mr. P.J. Wattel van 25 april 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BA3851, en Gerechtshof Amsterdam 4 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4228). Dat kan anders zijn indien de inhoud van die stukken ook bijvoorbeeld niet aan belanghebbende bekende feitelijke informatie bevat, waardoor het (verdedigings)belang van belanghebbende in gedrang zou kunnen komen, maar dat is de rechtbank hier niet gebleken. Gelet op de aard van de stukken (intern ‘advies’), is de geheimhoudingskamer van oordeel dat de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van deze stukken, omdat ook de inspecteur recht heeft op vrijheid en vertrouwelijkheid van intern beraad en intercollegiale toetsing. Daar komt nog bij dat mag worden aangenomen dat het intern beraad/advies, voor zover relevant, zijn weerslag heeft gevonden in het opgestelde controlerapport, dat aan belanghebbende ter beschikking is gesteld. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is van gewichtige redenen die weigering op grond van artikel 8:29 Awb rechtvaardigen. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beslissing is genomen door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 26 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting maar wordt deze beslissing gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier,	De rechter,</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier is verhinderd 				(Was getekend </para>
        <para>deze beslissing te ondertekenen 			mr. drs. M.H. van Schaik) </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian 			mr. drs. M.H. van Schaik </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
        </para>
        <para>Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>