<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:1427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:58:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 18 _ 7956</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:temporal rdfs:label="Periode">
        <start rdfs:label="van">2018</start>
        <end rdfs:label="tot">2018</end>
      </dcterms:temporal>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2020/1005</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2020/223 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2020/26.28 met annotatie van Redactie</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2020/1380 met annotatie van mr. V. Sathananthan LLM</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:1427">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:1427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-03T10:06:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:1427 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2020 / AWB - 18 _ 7956</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:1427:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Rioolheffing</para>
        <para>De rechtbank oordeelt dat het water dat van een perceel is afgevoerd naar een ander perceel, voor de toepassing van artikel 5, zesde lid, van de Verordening moet worden aangemerkt als water dat niet als afvalwater is afgevoerd van het eerste perceel. Dit brengt mee dat de aanslag rioolheffing gebruikersdeel van belanghebbende moet worden verminderd.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:1427:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Belastingrecht, enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer BRE 18/7956</para>
      <para>uitspraak van 26 maart 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, wonende te [woonplaats],</para>
      <para>belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van [de gemeente]</emphasis>,</para>
      <para>de heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De bestreden uitspraken op bezwaar</emphasis>
      </para>
      <para>De uitspraken van de heffingsambtenaar van 31 oktober 2018 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan haar ter zake van de onroerende zaken gelegen aan [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats] opgelegde aanslagen rioolheffing 2018 (hierna: de aanslagen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Zitting</emphasis>
      </para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2020 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende, [gemachtigde], en namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>1</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de aanslag rioolheffing gebruikersdeel ter zake van de onroerende zaak gelegen aan [adres 1] te [woonplaats];</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op die aanslag;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vermindert die aanslag tot € 276,10;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep voor het overige ongegrond;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 220;</para>
    <para>- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan haar vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Gronden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vooraf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De uitspraken op bezwaar zijn gericht aan belanghebbende. De heer [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde]) heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. [gemachtigde] is de partner van belanghebbende en mede-eigenaar van de onroerende zaken die zijn opgenomen in de bestreden uitspraken op bezwaar. [gemachtigde] heeft ter zitting verklaard dat hij namens belanghebbende beroep heeft ingesteld. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard ook daarvan uit te gaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen en zal het beroep dan ook inhoudelijk beoordelen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inhoudelijk</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Belanghebbende was het gehele jaar 2018 eigenaar van de onroerende zaken gelegen aan [adres 1] en [adres 2] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaken). Het gaat om twee woningen, die aan elkaar zijn gebouwd. De woning [adres 1] is in gebruik bij belanghebbende en haar partner [gemachtigde]. De woning [adres 2] is in gebruik bij de ouders van belanghebbende. De woning [adres 1] is rechtstreeks aangesloten op de gemeentelijke riolering en het waterleidingnetwerk van Brabant Water. De woning [adres 2] is indirect via [adres 1] aangesloten op de gemeentelijke riolering en het waterleidingnetwerk van Brabant Water. De nota van Brabant Water van 6 april 2017 toont een waterverbruik van 576 m³ op het adres [adres 1]. Een gedeelte van dit water is gebruikt in de woning [adres 2].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 februari 2018 aan belanghebbende de aanslagen opgelegd. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Rioolheffing eigenaar woning [adres 1] (€ 102,25);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Rioolheffing gebruiker woning [adres 1] (grondslag 4, watergebruik van 501 m³ tot en met 1500 m³, € 633,95);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Rioolheffing eigenaar woning [adres 2] (€ 102,25).</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft bij de vaststelling van de aanslagen toepassing gegeven aan de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2018 van [de gemeente] (hierna: Verordening).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Tussen partijen is in geschil of de aanslag rioolheffing gebruikersdeel ter zake van de onroerende zaak gelegen aan [adres 1] te [woonplaats] terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de onroerende zaken beide een apart perceel vormen voor de rioolheffing op basis van het eigenarendeel van artikel 3, eerste lid, van de Verordening.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De Verordening luidt, voor zover van belang, als volgt:</para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">“Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. Onder de naam 'rioolheffing' wordt een belasting geheven van de gebruiker van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering en van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Artikel 5 Maatstaf van heffing </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. De belasting als bedoeld in artikel 3, derde lid, wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatst aan het belastingtijdvak voorafgaande afrekenperiode van Brabant Water naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">5. Voor zover de gegevens, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet bekend zijn, wordt het waterverbruik door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar vastgesteld op basis van een schatting van 120 kubieke meter.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">6. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd indien en voor zover dit is aangetoond door de gebruiker.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Artikel 6 Tarief </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. De heffing als bedoeld in artikel 3, derde lid, bedraagt voor percelen zijnde woningen en niet-woningen, per jaar, bij een hoeveelheid afgevoerd water, als bedoeld in artikel 5, tweede lid:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">a. 	tot en met 130 m3				€ 29,35</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">b. 	van 131 m3 tot en met 250 m3		€ 122,70</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">c. 	bij 251 m3 tot en met 500 m3		€ 276,10</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">d. 	bij 501 m3 tot en met 1.500 m3		€ 633,95</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">e. 	bij 1.501 m3 tot en met 5.000 m3		€ 1.267,90</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">f.	bij 5.001 m3 en meer			€ 2.535,80”</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar heeft op basis van artikel 5, vijfde lid, van de Verordening de ouders van belanghebbende aangeslagen voor de rioolheffing gebruikersdeel voor 120 m³. Belanghebbende betwist niet de juistheid van de aanslag rioolheffing gebruikersdeel die is opgelegd aan haar ouders voor de woning [adres 2]. Volgens belanghebbende betrekt de heffingsambtenaar een gedeelte van de afgevoerde kubieke meters afvalwater dubbel in de heffing, omdat zij ook al is aangeslagen voor de rioolheffing gebruikersdeel voor het waterverbruik van 576 m³.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Belanghebbende vindt dat sprake is van dubbele heffing. Zij stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van het rioolrecht deze hoeveelheid water (576 m³) die naar [adres 1] is toegevoerd voor de heffing van het rioolrecht moet worden verminderd met de hoeveelheid water die vervolgens naar [adres 2] is toegevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de Verordening daarvoor geen grondslag biedt. In het bijzonder geldt niet artikel 5, zesde lid, van de Verordening aangezien het naar [adres 2] toegevoerde water vanuit dat perceel als afvalwater wordt afgevoerd. Het is ook niet juist om de forfaitaire hoeveelheid van 120 m³ (artikel 5, vijfde lid, van de Verordening) in mindering te brengen, want met die bepaling is niet meer beoogd dan dat het laagste bedrag in rekening wordt gebracht. Er had even goed 1 m³ kunnen staan. Ook had die bepaling kunnen worden beperkt tot de regeling dat in het daar bedoelde geval het laagste bedrag in rekening wordt gebracht, zonder een hoeveelheid water te vermelden, aldus de heffingsambtenaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het water dat van een perceel is afgevoerd naar een ander perceel dat zelf in de heffing van rioolrecht wordt betrokken, voor de toepassing van artikel 5, zesde lid, van de Verordening moet worden aangemerkt als water dat niet als afvalwater is afgevoerd. Daaraan staat niet in de weg dat dit water vanaf dat andere perceel als afvalwater is afgevoerd, nu ter zake van die afvoer rioolrecht wordt geheven van de eigenaar en de gebruiker van dat andere perceel. Een andere opvatting zou leiden tot het ongerijmde resultaat dat ter zake van de afvoer van dat afvalwater twee maal rioolrecht wordt geheven. Er zijn geen aanwijzingen dat de Gemeenteraad bij het vaststellen van de Verordening een dergelijke dubbele heffing zou hebben beoogd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>De rechtbank acht aannemelijk dat ten minste 76 m³ water vanaf [adres 1] is afgevoerd naar [adres 2]. Dat brengt mee dat de rioolheffing voor [adres 1] moet worden berekend naar niet meer dan 500 m³. De aanslag moet daarom worden verminderd tot € 276,10.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de aanslag rioolheffing gebruikersdeel. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>De rechtbank vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De door belanghebbende genoemde proceskosten, te weten reis- en verletkosten wordt de heffingsambtenaar op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van (afgerond) € 20 voor reiskosten gebaseerd op tweede klas openbaar vervoer en € 200 voor verletkosten, berekend op basis van 2,5 uur maal € 80 (zijnde het uurtarief van [gemachtigde] als zzp’er).</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van de Merwe, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier, op 26 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting, maar wordt deze uitspraak gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier,				De rechter,</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Was getekend mr. J. van de Merwe</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>mr. E.A.D. Dockx			mr. J. van de Merwe</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR). </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
      </parablock>
      <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;<?linebreak?>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      <parablock>
        <para>	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
        <para>	b. een dagtekening;</para>
        <para>	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
        <para>	d. de gronden van het hoger beroep.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>