<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2020:1353</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-23T11:44:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-03-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02/369699 HA RK 20-48</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:1353">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2020:1353</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-23T11:42:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2020:1353 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 16-03-2020 / 02/369699 HA RK 20-48</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2020:1353:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wraking</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2020:1353:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Wrakingskamer</para>
    <para>Locatie: Breda</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Procedurenummer: 02/369699 HA RK 20-48</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing van 16 maart 2020 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>woonachtig aan de [adres] ,</para>
      <para>verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het wrakingsverzoek, gedateerd 28 februari 2020;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het e-mailbericht van verzoeker van 7 maart 2020;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verzoek strekt tot wraking van mr. Stassen (hierna: de rechter), belast met de behandeling van het door verzoeker ingediende beroep in de zaak met zaaknummer BRE 18/6547 MRB, op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in het wrakingsverzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de hoofdzaak heeft verzoeker, op grond van artikel 8:55 van de Awb, verzet aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het standpunt van verzoeker</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft aangevoerd, kort weergegeven, dat de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt doordat:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>alle (bestuurs)rechters van de “toeslagaffaire” hebben geweten, maar niets tegen dit onrecht hebben gedaan;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de rechtbank partijen ongelijk bejegent, zoals het verschil in termijnen. Verzoeker zou 14 dagen krijgen, terwijl de belastingdienst zes weken/twee maanden wordt toegekend. Verder zou verzoeker amper 5 dagen krijgen om te reageren, hetgeen de fiscus nooit zou worden verzocht.   </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordelingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:15 van de Awb kan een partij elk van de rechters die een zaak behandelen wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van de eerste wrakingsgrond</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De wrakingskamer stelt voorop dat de eerste wrakingsgrond, dat alle (bestuurs)rechters van de “toeslagaffaire” hebben geweten, in wezen is gericht tegen alle (bestuurs)rechters van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Dit kan niet als een feit of omstandigheid worden aangemerkt specifiek betrekking hebbend op de persoon van de rechter. Daarnaast is een verzoek om wraking van een rechterlijk college, of een heel team van een dergelijk college, als zodanig geen wrakingsverzoek waarop de in 5.1 genoemde bepaling doelt. Een dergelijk wrakingsverzoek is dan ook niet mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Dit betekent dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gericht tegen alle (bestuurs)rechters kennelijk niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van de tweede wrakingsgrond</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit de tweede aangevoerde wrakingsgrond geen zwaarwegende omstandigheid als bedoeld in 5.2 worden afgeleid.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>De wrakingskamer stelt voorop dat de door het team bestuursrecht van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gehanteerde termijnen zijn gebaseerd op het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017 (hierna: het Procesreglement). De ten aanzien van verzoeker en de belastingdienst gehanteerde termijnen kunnen dus niet specifiek aan de rechter worden toegerekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Voorts is aan de inspecteur van de belastingdienst, bij brief van 25 oktober 2018, een termijn van vier weken gesteld om de stukken in te dienen die betrekking hebben op de zaak. Deze termijn is gelijk aan de termijn die aan de indiener van het beroepschrift wordt geboden voor herstel van een verzuim, zoals de (nadere) motivering van het beroepschrift (artikel 2.4 van het Procesreglement). <?linebreak?>Nadat de hiervoor bedoelde termijn van vier weken was verstreken, heeft de rechtbank de inspecteur van de belastingdienst gerappelleerd en nogmaals een termijn van vier weken geboden. Ook deze termijn is gelijk aan de termijn die aan de indiener van het beroepschrift wordt geboden bij rappel voor herstel van een verzuim.<?linebreak?>In het vervolg is telkens een termijn van twee weken geboden aan verzoeker en aan de inspecteur van de belastingdienst (zoals in de brief van de rechtbank van 26 maart 2019).</para>
        <para>Uit het voorgaande kan dus worden afgeleid dat de stelling dat verschillende termijnen worden gehanteerd feitelijke grondslag mist.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>De door verzoeker genoemde termijn van vijf dagen heeft betrekking op de brief van de wrakingskamer van 5 maart 2020, waarin een termijn van één week wordt geboden. Een door de wrakingskamer gestelde termijn, die dus bovendien is gesteld na het verzoek om wraking, kan niet aan de rechter worden toegerekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>Dit alles leidt ertoe dat het wrakingsverzoek voor het overige moet worden afgewezen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk voor zover het berust op de grond dat alle (bestuurs)rechters hebben geweten van de toeslagaffaire; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek tot wraking voor het overige af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer: BRE 18/6547 MRB zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van dit verzoek.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 16 maart 2020, door mr. Peters, voorzitter, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en mr. Pellikaan, leden van de wrakingskamer, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Van Wijk, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De voorzitter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzitter is buiten staat de beslissing te ondertekenen. Daarom is de beslissing alleen door de griffier ondertekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>