<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2019:6285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-19T14:40:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">7478192 CV EXPL 19-375</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Tilburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:6285">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:6285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-19T14:39:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2019:6285 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 17-07-2019 / 7478192 CV EXPL 19-375</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2019:6285:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>‘Opzegging/beëindiging huurovereenkomst/diverse schadeposten.”</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2019:6285:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ebd77cb0-e34e-4424-ab9c-87125122d34a" depth="68" width="96" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</emphasis>
    </para>
    <para>Cluster I Civiele kantonzaken</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tilburg </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer 7478192 CV EXPL 19-375 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van 17 juli 2019  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] ,  </emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats 1] , </para>
      <para>eiseres in conventie, verweerster in reconventie,  </para>
      <para>gemachtigde: mr. D.A. Siddiqui, advocaat te Rotterdam, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, handelend onder de naam [naam 1] ,  </para>
      <para>zaakdoende te [woonplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, </para>
      <para>gemachtigde: mr. G.S. de Haas, advocaat te Raamsdonkveer. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt:</para>
    </parablock>
    <para>a. het tussenvonnis van 10 april 2019 en de daarin genoemde stukken; </para>
    <para>b. de conclusie van antwoord in reconventie, met producties; </para>
    <para>c. de aantekeningen van de griffier van de zitting van 7 mei 2019. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In conventie: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
        <para>I. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.820,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van de volledige betaling;</para>
        <para>II. [gedaagde] te veroordelen in de nakoming van de reeds lopende huurovereenkomsten op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag/dagdeel met een maximum van € 10.000,00 voor ieder van de woningen aan de [adres 1] en aan de [adres 2] dat [gedaagde] in gebreke mocht blijven aan dit bevel te voldoen; </para>
        <para>III. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten (waaronder de nakosten), een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten (waaronder de nakosten). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In reconventie</emphasis>: </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] te veroordelen tot betaling van </para>
        <para>€ 18.496,77 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag ten titel van contractuele boete, rente en kosten uit hoofde van de gesloten huurovereenkomst alsmede te bepalen dat de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] inzake de [adres 1] eindigt op de korstmogelijke termijn, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten (waaronder de nakosten). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>
        [eiseres] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid en afwijzing van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in conventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Tussen partijen staat het volgende vast.</para>
      <para />
      <para>a. [eiseres] is een uitzendbureau. Zij draagt onder meer zorg voor de huisvesting van haar</para>
      <para>uitzendkrachten en arbeidsmigranten. </para>
      <para />
      <para>b. [gedaagde] houdt zich bezig met de bemiddeling en/of het beheer van huurwoningen. </para>
      <para />
      <para>c. [eiseres] is in de regio Noord-Brabant huurovereenkomsten aangegaan met [gedaagde] . </para>
      <para />
      <para>d. Op 14 november 2017 heeft [eiseres] met [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten inzake de </para>
      <parablock>
        <para>woning aan de [adres 3] . [eiseres] heeft deze woning op 31 oktober 2018 </para>
        <para>opgeleverd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>e. Op 23 november 2017 heeft [eiseres] met de heer [naam 2] een huurovereenkomst voor </para>
      <para>onbepaalde tijd gesloten inzake de woning aan de [adres 1] . </para>
      <para />
      <para>f. Op 17 april 2018 heeft [eiseres] met [gedaagde] een huurovereenkomst gesloten voor de</para>
      <parablock>
        <para>
          [adres 4] . De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 12 maanden, </para>
        <para>ingaande op 15 mei 2018 en lopende tot en met 14 mei 2019. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>g. [gedaagde] heeft in juli 2018 de drie voornoemde huurovereenkomsten opgezegd.</para>
      <para />
      <para>h. Op 4 augustus 2018 heeft [gedaagde] de huurders uit de woning aan de [adres 1]</para>
      <para> gezet.</para>
      <para />
      <para>i. [eiseres] is een kort geding procedure gestart, bij dit gerecht bekend onder nummer </para>
      <para>348028 KG ZA 18-489.</para>
      <para />
      <para>j. Bij vonnis van 24 augustus 2018 in voornoemde procedure heeft de voorzieningenrechter</para>
      <parablock>
        <para>onder meer geoordeeld dat: </para>
        <para>“ (….) <emphasis role="italic">het initiatief tot het beëindigen van de drie huurovereenkomsten niet is genomen door </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [eiseres] maar door [gedaagde] [naam 3] . De opzeggingsmail van 4 juli 2018 van [gedaagde] [naam 3] </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">voldoet op geen enkele manier aan de eisen die de wet stelt aan de opzegging van woon-</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ruimte. Die opzegging is daarom nietig. Verder is [gedaagde] [naam 3] niet bevoegd om zelf</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">tot ontruiming over te gaan zolang zij daarvoor niet een voorafgaand vonnis van de </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">kantonrechter heeft gekregen. Zo’n ontruimingsvonnis is er niet. De aanzeggingen tot </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">ontruiming zijn dus eveneens ongeldig. De feitelijke ontruiming van de woning in </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tilburg is onrechtmatig en moet binnen een week terug worden gedraaid</emphasis> (…).”. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] legt, verkort weergegeven, aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] op</para>
        <para>4 juli 2018 de voornoemde huurovereenkomsten zonder geldige redenen heeft opgezegd en </para>
        <para>op 4 augustus 2018 op onrechtmatige wijze de huurders uit de woning gelegen aan de </para>
        <para>
          [adres 1] heeft gezet. Bij vonnis van 24 augustus 2018 heeft de </para>
        <para>voorzieningenrechter geoordeeld dat de feitelijke ontruiming van de woning in Tilburg</para>
        <para>onrechtmatig is geweest, omdat [gedaagde] niet bevoegd was om zelf tot ontruiming van </para>
        <para>de woonruimte over te gaan, zolang zij daarvoor niet een voorafgaand vonnis van de </para>
        <para>kantonrechter heeft gekregen. [eiseres] kwalificeert de handelingen van [gedaagde] als een </para>
        <para>onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [eiseres]</para>
        <para> is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade tengevolge van de onrechtmatige uithuiszetting van</para>
        <para> de uitzendkrachten uit de woning te [adres 1] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft bij dagvaarding een aantal schadeposten gevorderd. Op grond van artikel 6:98 </para>
        <para>BW komt voor vergoeding in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de</para>
        <para>gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien</para>
        <para>de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van een gebeurtenis kan</para>
        <para>worden toegerekend. In dit licht bezien zal de kantonrechter de verschillende schadeposten</para>
        <para>van [eiseres] en de daarover naar voren gebrachte stellingen van partijen bespreken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Energieverbruik Eneco Services Energie (€ 150,00) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft gesteld dat de bewoners van de [adres 1] in de maand </para>
        <para>augustus 2018 door de uithuiszetting geen gebruik hebben kunnen maken van de </para>
        <para>woning en de daarbij komende nutsvoorzieningen. [eiseres] heeft via automatische incasso</para>
        <para>een bedrag van € 150,00 voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft de post betwist. Volgens [gedaagde] blijkt niet dat de kosten daadwerkelijk zijn</para>
        <para>voldaan en valt het exacte verbruik niet vast te stellen. Verder is de woning in de maand </para>
        <para>augustus 2018 direct doorverhuurd en hebben de opvolgende huurders de voorschot-</para>
        <para>verplichting overgenomen van de vorige huurders. Voorzover [eiseres] teveel voorschot zou </para>
        <para>hebben betaald, zal dat bij de eindafrekening van Eneco worden verrekend, aldus [gedaagde] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter stelt voorop dat [eiseres] bij dagvaarding als productie 16 een </para>
        <para>betalingsbewijs heeft overgelegd. Dit bewijs heeft echter geen betrekking op het betaalde</para>
        <para>voorschot van augustus 2018, maar op het voorschot van juli 2018. Het voorschotbedrag is voorts een bedrag dat niet alleen ziet op de kosten voor verbruik, maar ook op netwerkkosten, belastingen en overheidsheffingen. Die laatste drie posten houden geen causaal verband met de gestelde onrechtmatige ontruiming. Deze kosten staan immers los van verbruik en bewoning. Nu een betalingsbewijs voor augustus 2018 ontbreekt en voornoemde vaste kosten niet nader onderbouwd zijn zal de vordering als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Waterverbruik Brabant Water (€ 21,55) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft gesteld dat de bewoners van de [adres 1] in de maand</para>
        <para>augustus 2018 geen gebruik hebben kunnen maken van de watervoorzieningen. [eiseres] heeft</para>
        <para>een bedrag van € 21,55 voldaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft aangevoerd dat, voor zover er in de maand augustus 2018 al teveel</para>
        <para>voorschot is betaald, de door [eiseres] teveel betaalde voorschotten met de eindafrekening</para>
        <para>van Brabant Water zullen worden verrekend.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <parablock>
        <para>De vordering zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. Ook voor deze post</para>
        <para>geldt dat in het voorschotbedrag ook posten als vastrecht en belasting is meegenomen. Deze</para>
        <para>kosten houden geen causaal verband met de onrechtmatige ontruiming, omdat ze ook</para>
        <para>verschuldigd zijn als geen sprake zou zijn geweest van de onrechtmatige ontruiming. Hoe</para>
        <para>hoog deze vaste kosten zijn is niet nader onderbouwd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Huur vervangende chalets (€ 2.893,80)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft gesteld dat zij in de weken 32, 33 en 34 tengevolge van de uithuiszetting </para>
        <para>(6 augustus 2018 tot en met 26 augustus 2018) 4 éénpersoons chalets heeft moet huren. [eiseres] </para>
        <para>heeft hiervoor in totaal aan Valisstate een bedrag voldaan van € 2.893,80. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft betwist dat deze kosten toe te rekenen zijn aan haar. Het is [gedaagde]</para>
        <para>niet duidelijk waarom er 3 chalets zijn gehuurd, terwijl er op de [adres 1] </para>
        <para> maar 4 personen mochten wonen. Verder is de huurprijs van de chalets</para>
        <para>bijna 4 maal zo hoog als de huurprijs voor de gehuurde woning te Tilburg. Daarnaast </para>
        <para>blijkt niet dat [eiseres] de kosten daadwerkelijk heeft betaald. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] op dit onderdeel haar vordering </para>
        <para>voldoende onderbouwd. [eiseres] heeft op de zitting toegelicht dat zij, in verband met de </para>
        <para>beschikbaarheid van de chalets in de zomerperiode, 4 éénpersoonchalets heeft moeten huren. </para>
        <para>Verder heeft [eiseres] bij de dagvaarding (productie 18) de door haar van Valisstate ontvangen </para>
        <para>facturen overgelegd. Hiermee heeft [eiseres] voldoende gesteld dat de kosten rechtstreeks </para>
        <para>verband houden met de uithuiszetting van de bewoners aan de [adres 1] </para>
        <para> . De vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verblijfskosten Gasterij Dennenoord (€ 722,00) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat vier werknemers de laatste</para>
        <para>week van augustus 2018 niet in de vervangende chalets hebben kunnen verblijven. </para>
        <para>
          [eiseres] heeft haar werknemers daarom voor vier nachten moeten onderbrengen bij Gasterij</para>
        <para>Dennenoord. [eiseres] heeft hiervoor een bedrag van € 722,00 aan Gasterij Dennenoord betaald.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft hetzelfde verweer gevoerd zoals hiervoor onder 3.11 is verwoord. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft op de zitting toegelicht dat zij voor 4 personen twee keer een </para>
        <para>tweepersoonskamer heeft moeten huren bij Gasterij Dennenoord. [eiseres] heeft de </para>
        <para>factuur van Gasterij Dennenoord als productie 19 overgelegd. Gelet op het voorgaande is </para>
        <para>de kantonrechter van oordeel dat de kosten voor toewijzing in aanmerking komen, omdat </para>
        <para>deze kosten rechtstreeks verband houden met de uithuiszetting van de bewoners aan de</para>
        <para>
          [adres 1] . </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verwarmingskosten Ennatuurlijk (€ 122,01) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft gesteld dat de uitzendkrachten in de maand augustus 2018 geen </para>
        <para>gebruik hebben kunnen maken van de stadsverwarming. [eiseres] heeft via automatische </para>
        <para>incasso een bedrag van € 122,01 betaald. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft aangevoerd dat het exacte verbruik niet vast valt te stellen en dat het niet </para>
        <para>geloofwaardig is dat er in de hete zomer van augustus 2018 warmte is verbruikt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18</nr>
      <parablock>
        <para>Nu aan de hand van de overgelegde stukken niet exact valt vast te stellen wat het </para>
        <para>gebruik is geweest, zal de kantonrechter dit onderdeel afwijzen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schade uitzendkrachten (€ 2.000,00) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] de uitzendkrachten </para>
        <para>uit de woning aan de [adres 1] heeft gezet, zonder dat zij bij </para>
        <para>hun bezittingen konden komen. [eiseres] heeft aan de 4 uitzendkrachten ieder een bedrag van</para>
        <para>€ 500,00 betaald. Deze bedragen hebben de uitzendkrachten besteed aan primaire </para>
        <para>benodigdheden, zoals kleding en verzorgingsmiddelen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.20</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een onrechtmatige</para>
        <para>daad. Deze post gaat over door derden verondersteld geleden schade. Voor deze vordering</para>
        <para>bestaat geen rechtsgrond, aldus [gedaagde] . Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiseres] het door </para>
        <para>haar gevorderde bedrag onvoldoende heeft onderbouwd. Het blijkt niet duidelijk of [eiseres] de</para>
        <para>schade heeft vergoed en dat de uitzendkrachten de gelden daadwerkelijk hebben besteed. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.21</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft haar vordering gebaseerd op een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad.</para>
        <para>Deze schadepost heeft betrekking op de door de uitzendkrachten geleden schade. De </para>
        <para>kantonrechter is van oordeel dat voor deze post geen rechtsgrond jegens [eiseres] bestaat.</para>
        <para>Het is gesteld noch gebleken dat de uitzendkrachten [eiseres] ten aanzien van de door hen</para>
        <para>geleden schade hebben aangesproken dan wel dat [eiseres] (op grond van een akte van cessie) </para>
        <para>gerechtigd zou zijn deze vordering namens de uitzendkrachten in te dienen. Gelet hierop </para>
        <para>dient de (coulance) betaling van [eiseres] van € 500,00 per persoon dan ook voor haar eigen </para>
        <para>rekening en risico te blijven. Dit onderdeel van de vordering zal dan ook worden afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kosten vervanging sloten (€ 143,54) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.22</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens [eiseres] heeft zij vanwege de onrechtmatige uithuiszetting voorzorgsmaatregelen</para>
        <para>getroffen door voor de woningen te Waalwijk en Hilvarenbeek de sloten zelf te vervangen. </para>
        <para>
          [eiseres] heeft de materialen voor het vervangen hiervan bij de Praxis gekocht. In totaal heeft zij</para>
        <para>een bedrag van € 143,53 besteed. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.23</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] betwist het causaal verband tussen de ontruiming en de schade. Verder valt niet </para>
        <para>vast te stellen of de kosten daadwerkelijk door [eiseres] zijn betaald. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.24</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de kantonrechter komen deze kosten niet voor vergoeding </para>
        <para>in aanmerking, omdat er sprake is van een te ver verwijderd causaal verband tussen de </para>
        <para>gestelde schade en de onrechtmatige daad. Dit betekent dat het voor rekening en risico </para>
        <para>van [eiseres] dient te blijven dat zij zelf uit voorzorg de sleutels heeft vervangen. De </para>
        <para>kantonrechter zal de vordering op dit onderdeel afwijzen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Arbeidsuren twee uitzendkrachten (€ 182,60) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.25</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat twee uitzendkrachten </para>
        <para>in de woning te Waalwijk zijn gebleven. Volgens [eiseres] vreesden zij voor uithuiszetting</para>
        <para>en verlies van eigendommen en wilden zij dat tegenhouden. [eiseres] heeft in totaal een bedrag </para>
        <para>van € 182,60 aan salaris doorbetaald. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.26</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft betwist dat het voor de uitzendkrachten noodzakelijk was om in de woning</para>
        <para>in Waalwijk achter te blijven. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat deze kosten in een zover </para>
        <para>verwijderd verband staan tot de oorzaak dat deze in redelijkheid niet toegerekend kunnen </para>
        <para>worden aan [gedaagde] . Daar komt bij dat het hier niet gaat om schade van de uitzendkrachten, </para>
        <para>maar om die van [eiseres] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.27</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter kan [gedaagde] volgen in haar redenering. Nu er sprake is van een te </para>
        <para>ver verwijderd verband tussen de schade en de onrechtmatige daad, zal de kantonrechter</para>
        <para>dit onderdeel van de vordering afwijzen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Arbeidsuren werknemers [eiseres] (€ 389,08) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.28</nr>
      <parablock>
        <para>Aan dit onderdeel van de vordering heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat 3 werknemers</para>
        <para>van haar 4 uur in Tilburg aanwezig zijn geweest om ontruiming te voorkomen. Het betreft</para>
        <para>de directeur, een voorman en een HR-manager. [eiseres] heeft in totaal een bedrag van </para>
        <para>€ 389,08 aan loon doorbetaald. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.29</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft aangevoerd dat het niet noodzakelijk was dat deze personen van [eiseres] </para>
        <para>aanwezig waren. Volgens [gedaagde] hebben zij geen bijdrage geleverd aan het oplossen van de </para>
        <para>kwestie. Het is [gedaagde] niet duidelijk om welke reden een voorman en een HR-manager ter </para>
        <para>plaatse aanwezig waren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.30</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter kan onderschrijven dat het begrijpelijk is dat de directeur van </para>
        <para>
          [eiseres] , immers de huurder van de woning, bij de ontruiming aanwezig wilde zijn. Dat geldt</para>
        <para>niet voor de HR-Manager en de voorman. Aangezien [eiseres] bij dagvaarding niet althans </para>
        <para>onvoldoende weersproken heeft gesteld dat de directeur een uurloon heeft van </para>
        <para>€ 54,40, zal de kantonrechter een bedrag van in totaal € 217,60 toewijzen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Reiskosten (€ 83,90) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.31</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft gesteld dat de drie werknemers met 3 auto’s naar de woning in Tilburg zijn </para>
        <para>gereisd. Volgens [eiseres] bedraagt de afstand van haar vestigingsplaats (Rotterdam) naar </para>
        <para>Tilburg heen en terug 147,2 kilometer. De wettelijke reiskostenvergoeding bedraagt € 0,19 </para>
        <para>cent. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.32</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen,</para>
        <para>omdat de aanwezigheid van deze personen niet nodig was. Bovendien hadden de personen </para>
        <para>met één auto kunnen reizen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.33</nr>
      <parablock>
        <para>Gelet op hetgeen de kantonrechter hiervoor heeft overwogen acht de kantonrechter </para>
        <para>de aanwezigheid van de directeur van [eiseres] noodzakelijk. Dit betekent dat zijn kosten voor de </para>
        <para>heen en terugreis, zijnde een bedrag van € 27,97 (147,2 x € 0,19) voor toewijzing gereed ligt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.34</nr>
      <parablock>
        <para>Naast de hiervoor genoemde schadeposten heeft [eiseres] in de dagvaarding gesteld dat </para>
        <para>
          [gedaagde] heeft nagelaten een bedrag van € 225,00 aan waarborgsom ter zake de woning aan </para>
        <para>de Doelenstraat in Waalwijk te voldoen. Op de zitting heeft [eiseres] echter erkend</para>
        <para>dat zij op 10 januari 2019 van [gedaagde] een bedrag van € 225,00 heeft ontvangen. </para>
        <para>Gelet daarop heeft [eiseres] haar vordering verminderd met dit bedrag. Het gevorderde</para>
        <para>bedrag aan wettelijke rente van € 2,37 heeft zij gehandhaafd. De kantonrechter zal dit bedrag</para>
        <para>toewijzen, nu [gedaagde] pas na dagvaarding is overgegaan tot (terug)betaling van het resterende </para>
        <para>deel van de waarborgsom.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.35</nr>
      <parablock>
        <para>Uit het voorgaande kan de conclusie worden getrokken dat per saldo voor toewijzing </para>
        <para>gereed ligt een bedrag van € 3.863,74.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.36</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft ook aanspraak gemaakt op een bedrag van € 721,67 aan buitengerechtelijke</para>
        <para>incassokosten. Hoewel [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] onvoldoende werkzaamheden </para>
        <para>heeft verricht, is de kantonrechter op grond van bij productie 6 en 8 overgelegde brieven, van </para>
        <para>oordeel dat wel voldoende is komen vast te staan dat [eiseres] buitengerechtelijke </para>
        <para>werkzaamheden heeft verricht. Dit bedrag ligt dan ook voor toewijzing gereed. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.37</nr>
      <parablock>
        <para>De door [eiseres] onder II gevorderde veroordeling tot nakoming van [gedaagde] in de</para>
        <para>nakoming van de reeds lopende huurovereenkomsten zal als te algemeen geformuleerd</para>
        <para>en onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.38</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de</para>
        <para>proceskosten van [eiseres] . Het salaris gemachtigde zal worden toegewezen over</para>
        <para>het toe te wijzen bedrag aan hoofdsom. De proceskosten worden begroot op een</para>
        <para>bedrag van € 85,18 aan dagvaardingkosten, € 486,00 aan griffierecht en € 480,00 aan salaris </para>
        <para>voor de gemachtigde van [eiseres] . Aan nakosten zal een bedrag worden toegekend van </para>
        <para>€ 120,00. De gevorderde rente over de proceskosten (waaronder de nakosten) zal worden toegewezen indien en voor zover [gedaagde] de proceskosten niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis zal hebben voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] , indien deze door de betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In reconventie: </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.39</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] legt, kort weergegeven, aan haar vorderingen ten grondslag dat zij van [eiseres] </para>
        <para>bedragen en/of boetes te vorderen heeft, omdat [eiseres] is tekortgeschoten in de nakoming van </para>
        <para>haar verplichtingen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.40</nr>
      <parablock>
        <para>Hieronder zal de kantonrechter de verschillende onderdelen van de vordering en de </para>
        <para>daarover ingebrachte stellingen van partijen bespreken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Te late huurbetalingen voor de woningen Waalwijk en Hilvarenbeek </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.41</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft gesteld dat [eiseres] de huur voor de woningen Waalwijk en Hilvarenbeek </para>
        <para>te laat heeft betaald, te weten op 31 augustus 2018 in plaats van vóór 1 augustus 2018.</para>
        <para>
          [eiseres] is daarmee op grond van artikel 20.6 van de Algemene Bepalingen Huur Woonruimte</para>
        <para>een boete verschuldigd geworden van € 1.550,00. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.42</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft aangevoerd dat zij voorafgaande aan de huuropzegging in juli 2018</para>
        <para>maandelijks altijd een factuur van [gedaagde] ontving voor de huurbetaling. Hoewel [eiseres] na de</para>
        <para>huuropzegging meerdere malen heeft verzocht om de facturen voor de maand augustus 2018</para>
        <para>heeft [gedaagde] hier in eerste instantie niet aan voldaan. Pas na ontvangst van het vonnis van 24</para>
        <para>augustus 2018 heeft [gedaagde] op 28 augustus 2018 een e-mail naar [eiseres] gestuurd met de</para>
        <para>facturen voor de maand augustus 2018 en de maand september 2018. Daarop heeft [eiseres] de</para>
        <para>huurpenningen direct voldaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.43</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de kantonrechter is het, gelet op de onder 3.42 door [eiseres]</para>
        <para>genoemde omstandigheden (de gebruikelijke wijze van facturering en de directe </para>
        <para>betaling door [eiseres] na ontvangst van de facturen) alsmede gelet op de ontruiming van de</para>
        <para>woning te Tilburg en de kort geding procedure, naar maatstaven van redelijkheid en</para>
        <para>billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde] een beroep doet op de boetebepaling. Dit leidt tot de </para>
        <para>conclusie dat de vordering voor afwijzing gereed ligt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het niet meewerken aan inspecties van huurwoningen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.44</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [eiseres] niet meewerkt aan </para>
        <para>reguliere inspecties van de woning. Volgens [gedaagde] is [eiseres] daartoe gehouden op grond van </para>
        <para>artikel 11 van de Algemene Bepalingen Huur Woonruimte. [gedaagde] heeft [eiseres] bij e-mail van</para>
        <para>12 februari 2019 een boete opgelegd van € 2.660,00 en een bedrag van € 285,00 in rekening</para>
        <para>gebracht voor een niet uitgevoerde inspectie. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.45</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft aangevoerd dat hoewel [eiseres] en [gedaagde] contractueel zijn overeengekomen dat </para>
        <para>er maandelijks een woninginspectie plaatsvindt, [gedaagde] van [eiseres] instemming dient te </para>
        <para>krijgen voor het betreden van de woning. Het binnentreden van een woning zonder </para>
        <para>instemming van de huurder levert een inbreuk op van het in de Grondwet gegarandeerde </para>
        <para>recht op privacy. Verder heeft [eiseres] erop gewezen dat [gedaagde] in de huurovereenkomst geen </para>
        <para>boetebeding heeft opgenomen inzake het niet kunnen uitvoeren van woninginspecties. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.46</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] zich beroept op artikel 11.2 van de</para>
        <para>Algemene Bepalingen Huur Woonruimte. [eiseres] heeft de terhandstelling van deze</para>
        <para>algemene bepalingen betwist. Bovendien is gesteld noch gebleken dat voor ontvangst </para>
        <para>hiervan is getekend. [gedaagde] heeft deze algemene bepalingen ook niet overgelegd. Het is niet </para>
        <para>aan de kantonrechter om deze algemene bepalingen zelf te raadplegen. Het had op de weg </para>
        <para>van [gedaagde] gelegen om deze in het geding te brengen. Het beroep op dit artikel slaagt</para>
        <para>derhalve niet aangezien het niet onvoldoende onderbouwd is. Verder heeft [gedaagde] ter</para>
        <para>onderbouwing van het door haar gevorderde bedrag een beroep gedaan op een e-mail van 12</para>
        <para>februari 2019 (productie 10 bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in</para>
        <para>reconventie). De hierin gegeven onderbouwing (“<emphasis role="italic">daarnaast leggen wij u een boete op van</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2660 euro (28 dagen maal 95 euro”</emphasis>) kan de kantonrechter niet volgen, nu volgens de</para>
        <para>verklaring van [gedaagde] op de zitting de boete € 25,00 per dag bedraagt. Gelet hierop zal de</para>
        <para>kantonrechter dit onderdeel als niet dan wel onvoldoende onderbouwd afwijzen. Hetzelfde</para>
        <para>geldt voor het door [gedaagde] gevorderde bedrag van € 285,00.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het niet inrichten van de woningen volgens de normen van de Stichting Normering </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Flexwonen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.47</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter zal hieraan voorbij gaan. Hoewel [gedaagde] dit wel heeft genoemd in </para>
        <para>de conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie heeft [gedaagde] hier geen </para>
        <para>rechtsgevolg en/of vordering aan verbonden. Dit behoeft dan ook geen verdere bespreking. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verschuldigde huur inzake caravan in Cromvoirt </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.48</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens [gedaagde] is [eiseres] de huur over de maand augustus 2018 nog verschuldigd. Gelet</para>
        <para>op het uitblijven van betaling is [eiseres] een contractuele boete verschuldigd van € 25,00 per </para>
        <para>dag, te vermeerderen met de contractuele rente van 1% per maand, zijnde een bedrag van</para>
        <para>€ 474,00. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.49</nr>
      <parablock>
        <para>Daartegen heeft [eiseres] aangevoerd dat zij de huur schriftelijk per e-mail van 29 juni 2018 </para>
        <para>heeft opgezegd en dat [gedaagde] dit heeft bevestigd per e-mail van 29 juni 2018. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.50</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter stelt voorop dat [eiseres] de opzegging per e-mail als productie 34 heeft</para>
        <para>overgelegd. Hieruit blijkt duidelijk dat [eiseres] de huur wil opzeggen voor “<emphasis role="italic">de caravan</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Residence de Leuvert 316 per 31 juli 2018</emphasis>”. Uit productie 35 (een e-mail van 29 juni </para>
        <para>2018 van mevrouw Geys van [gedaagde] ) blijkt dat [gedaagde] de opzegging heeft bevestigd</para>
        <para>en aan [eiseres] heeft medegedeeld (“<emphasis role="italic">we zullen dan de borg verrekenen met de laatste maand </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">huur juli, u hoeft factuur 20184836 (dan niet te voldoen.”</emphasis>). Gelet hierop ontbeert de </para>
        <para>vordering van [gedaagde] grondslag. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Huur pand Ringbaan West Tilburg  </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.51</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiseres] in strijd met de huurovereenkomst</para>
        <para>de huur direct aan de eigenaar heeft betaald, terwijl deze op grond van artikel 4.5 </para>
        <para>aan [gedaagde] betaalt dient te worden. Hiermee is [eiseres] een contactuele boete verschuldigd </para>
        <para>geworden van € 6.075,00. Verder heeft [gedaagde] voor een bedrag van € 1.500,00 aan schade</para>
        <para>geleden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.52</nr>
      <parablock>
        <para>Daartegen heeft [eiseres] naar voren gebracht dat [gedaagde] schriftelijk op 2 januari 2018 heeft</para>
        <para>medegedeeld dat [eiseres] de huurpenningen rechtstreeks aan de eigenaar van de woning dient</para>
        <para>over te maken. [eiseres] heeft deze mededeling aangemerkt als een wijziging in de voorwaarden</para>
        <para>voor het betalen van de huurpenningen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.53</nr>
      <parablock>
        <para>Uit productie 36 (bij conclusie van antwoord) in reconventie blijkt dat [naam 4] aan de</para>
        <para>vestigingsmanager inzake de woning aan de Ringbaan West heeft bericht: <emphasis role="italic">“Aangezien </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [eiseres] de huur van januari niet heeft overgemaakt, stel ik voor om dit geval deze rechtstreeks</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">aan de eigenaar te voldoen, om meerdere problemen te voorkomen</emphasis>.” Naar het oordeel </para>
        <para>van de kantonrechter heeft [eiseres] hieruit mogen afleiden dat de huur niet aan [gedaagde] ,</para>
        <para>maar rechtstreeks aan de eigenaar diende te worden betaald. Gelet hierop ligt het gevorderde</para>
        <para>reeds voor afwijzing gereed. Daar komt bij dat bovendien gesteld noch gebleken is op welke </para>
        <para>rechtsgrond eventuele verbeurde boetes aan [gedaagde] zouden toekomen, aangezien zij geen</para>
        <para>partij is bij de huurovereenkomst. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beëindiging huurovereenkomst [adres 1] </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.54</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft bij brieven van 19 november 2018 en 18 februari 2019 de huur opgezegd </para>
        <para>inzake de [adres 1] . De reden van de opzegging is gelegen in slecht </para>
        <para>huurderschap en het dringend nodig hebben voor eigen gebruik. Op grond van artikel </para>
        <para>7:272 BW vordert [gedaagde] dat de rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de</para>
        <para>huurovereenkomst zal eindigen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.55</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] heeft aangevoerd dat zij aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat zij niet akkoord gaat</para>
        <para>met de opzegging. Volgens [eiseres] is de werkelijke reden voor beëindiging van de</para>
        <para>huurovereenkomst niet gelegen in de opzeggingsgrond dringend eigen gebruik, omdat </para>
        <para>
          [gedaagde] zich in de kortgeding procedure ook al op het standpunt heeft gesteld dat zij de</para>
        <para>woning nodig heeft voor dringend eigen gebruik en thans de woning opnieuw te huur </para>
        <para>wordt aangeboden. Verder heeft [eiseres] erop gewezen dat de eigenaar de procedure voor het</para>
        <para>opzegging van de huurovereenkomst dient op te starten en niet [gedaagde] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.56</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst met betrekking tot de</para>
        <para>
          [adres 1] is gesloten tussen [eiseres] in haar hoedanigheid van </para>
        <para>huurder en de heer Foresti in zijn hoedanigheid van verhuurder. De kantonrechter</para>
        <para>is met [eiseres] van oordeel dat [gedaagde] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar</para>
        <para>vordering tot (voortijdige) beëindiging van de huurovereenkomst van voornoemde woning. </para>
        <para>Weliswaar heeft [gedaagde] een procesmachtiging van de heer Foresti overgelegd, maar dat </para>
        <para>betekent niet hij in de onderhavige zaak procespartij is geworden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schade inzake het niet tijdig herstellen van de woning aan de Doelenstraat 1 Hilvarenbeek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.57</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] heeft gesteld dat zij [eiseres] erop heeft gewezen dat de per 14 mei 2019 </para>
        <para>te ontruimen woning thans in slechte staat verkeert. [eiseres] zal de schade voor de einddatum</para>
        <para>dienen te herstellen. [gedaagde] schat de kosten op een bedrag van € 3.500,00. Zij </para>
        <para>vordert daarom deze schade nu reeds voor het geval mocht blijken dat [eiseres] de schade</para>
        <para>niet per 14 mei 2019 heeft hersteld. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.58</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de kantonrechter staat de door [gedaagde] gestelde schade niet op </para>
        <para>voorhand vast en ligt reeds op grond hiervan de vordering voor afwijzing gereed. De</para>
        <para>kantonrechter neemt hierbij mede in aanmerking dat [eiseres] op de zitting heeft verklaard </para>
        <para>zij de woning conform de afgemaakte afspraken zal opleveren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.59</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de kantonrechter tot de conclusie</para>
        <para>dat alle vorderingen in reconventie voor afwijzing gereed liggen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.60</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de </para>
        <para>proceskosten. Deze proceskosten worden begroot op een bedrag van € 240,00 aan salaris</para>
        <para>voor de gemachtigde van [eiseres] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in conventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4.585,41, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van de volledige betaling;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.171,80 (waaronder € 120,00 wegens nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten (waaronder de nakosten) vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vordering voor het overige af; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in reconventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in haar vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst van de woning aan de [adres 1] ; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de overige vorderingen af; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 240,00</para>
      <para>aan salaris voor de gemachtigde van [eiseres] ; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.G. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>17 juli 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>