<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2019:2363</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-15T11:13:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 18_6926</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:CRVB:2019:4229" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2019:4229, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:2363">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:2363</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-05T10:18:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2019:2363 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-05-2019 / BRE 18_6926</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2019:2363:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deze uitspraak wordt gepubliceerd vanwege het instellen van hoger beroep. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2019:2363:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Breda</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 18/6926 BESLU</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser], [plaatsnaam], eiser</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. M.J. van Dam,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Breda, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 23 april 2018 heeft de SVB eiser een brief gestuurd over zijn verzoek om regularisatie over de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 september 2007.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 4 september 2018 (bestreden besluit) heeft de SVB het bezwaar van eiser tegen de brief van 23 april 2018 niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de SVB het bezwaar niet inhoudelijk heeft behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 11 april 2019. Hierbij waren aanwezig eisers gemachtigde, en mr. A. Marijnissen namens de SVB.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Het gaat in deze zaak om een regularisatieverzoek over de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 september 2007. Als de rechtbank het in deze zaak heeft over het regularisatieverzoek, dan wordt daarmee bedoeld het verzoek dat betrekking heeft op deze periode.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft de SVB in 2014 gevraagd om een regularisatieovereenkomst te sluiten met de bevoegde Luxemburgse sociale verzekeringsautoriteit. Dit wordt een regularisatieverzoek genoemd. Eiser wil met dit verzoek bereiken dat de Luxemburgse sociale verzekeringswetgeving op hem van toepassing is.</para>
    <para />
    <para>3. De SVB heeft het verzoek om regularisatie in eerste instantie afgewezen. Op 6 november 2017 heeft de SVB eiser laten weten dat het alsnog zal overgaan tot regularisatie. De SVB heeft vervolgens de Luxemburgse autoriteit gevraagd om akkoord te gaan met toepassing van de Luxemburgse sociale verzekeringswetgeving.</para>
    <para />
    <para>4. In februari 2018 stuurde de Luxemburgse autoriteit een brief naar de SVB, waarin staat dat zij niet willen meewerken aan een regularisatieovereenkomst.</para>
    <para />
    <para>5. Op 23 april 2018 stuurde de SVB een brief naar eiser. Daarin staat:</para>
    <bridgehead role="italic">“Van de Luxemburgse sociale zekerheidsinstantie hebben wij vernomen dat ons regularisatieverzoek […] is afgewezen. […] Op u is in de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 september 2007 uitsluitend de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing. Dit betekent dat u de Nederlandse sociale verzekeringspremies moet afdragen aan de bevoegde instantie(s).”</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is de brief van 23 april 2018 een besluit?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Partijen verschillen van mening over de vraag of de brief van 23 april 2018 een besluit is in de zin van de wet<footnote-ref linkend="_c9c16c31-fe89-4b77-874b-e5ae9016f292" />. De SVB vindt van niet. De SVB heeft daarom in het bestreden besluit het bezwaar tegen deze brief niet inhoudelijk behandeld. Eiser is het daar niet mee eens.</para>
    <para />
    <para>7. De hoogste rechter in dit soort zaken (de Centrale Raad van Beroep) heeft over een soortgelijke zaak al eens uitspraak gedaan<footnote-ref linkend="_1c59d0d8-68c8-489e-811a-c5a9d0f5b9c8" />. Kort gezegd, komt deze uitspraak op het volgende neer.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het sluiten van een regularisatieovereenkomst moeten de bevoegde autoriteiten van twee landen daarmee instemmen. De autoriteit van het land waar de aanvraag is ingediend, maakt de afweging of het gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om een regularisatieovereenkomst af te sluiten. In Nederland is het resultaat van deze afweging (door de SVB) is een besluit in de zin van de wet. Dit kan een besluit zijn waarin wordt geweigerd een regularisatieovereenkomst af te sluiten (negatief besluit), of een besluit waarin wordt gezegd dat de bevoegde autoriteit van het andere land zal worden benaderd (positief besluit).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een brief van de SVBwaarin staat dat de bevoegde autoriteit van het andere land niet wil meewerken aan het sluiten van een regularisatieovereenkomst <emphasis role="italic">“overstijgt de reikwijdte van een besluit”</emphasis>. Dit omdat de SVB door deze weigering van de autoriteit van het andere land niet kan bereiken dat de wetgeving van het andere land op de aanvrager van toepassing wordt. Dat betelent naar het oordeel van de rechtbank  dat een brief met die inhoud geen besluit is in de zin van de wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. En hoe zit dit in de situatie van eiser?</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De SVB heeft eiser op 6 november 2017 laten weten dat zal worden overgegaan tot regularisatie. Aangezien er twee partijen nodig zijn om een regularisatieovereenkomst te sluiten, moet dit worden gezien als een bereidverklaring van de SVB om de Luxemburgse autoriteit te benaderen om zo’n overeenkomst te sluiten. De brief van 6 november 2017 is daarmee een (positief) besluit in de zin van de wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de brief van 23 april 2018 staat dat de bevoegde Luxemburgse autoriteit niet wil meewerken aan het sluiten van een regularisatieovereenkomst. Omdat de Luxemburgse autoriteit niet wil meewerken, blijft de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op eiser van toepassing. Dat de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op eiser van toepassing is, vloeit niet voort uit deze mededeling van de SVB, maar uit een eerder besluit en dat de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving ook van toepassing blijft is een direct gevolg van de weigering van de Luxemburgse autoriteit om een regularisatieovereenkomst te sluiten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de brief van 23 april 2018 geen besluit is in de zin van de wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is hiervan het gevolg?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De SVB heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Eiser heeft nog een beroep gedaan op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Volgens eiser houdt het besluit van 6 november 2017 namelijk een toezegging tot regularisatie in.</para>
    <para />
    <para>11. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, is voor het sluiten van een regularisatieovereenkomst tussen Nederland en Luxemburg de bereidheid nodig van de bevoegde autoriteiten van beide landen. De toezegging van de SVB om tot regularisatie over te gaan, kan daarom niet anders worden begrepen dan de bereidheid van de SVB om een dergelijke overeenkomst te sluiten. Of een regularisatieovereenkomst kan worden gesloten is dan geheel afhankelijk van de vraag of de Luxemburgse autoriteiten daartoe ook bereid zijn.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tijdens de zitting nog aangevoerd dat de SVB zich op alle manieren in dient te spannen om tot regularisatie te komen. Eiser heeft daarbij (ook pas tijdens de zitting) gewezen op de dialoog- en bemiddelingsprocedure van besluit A1 van 12 juni 2009. Dit besluit is pas in werking getreden na de periode waarop het regularisatieverzoek betrekking heeft. Naar het oordeel van de rechtbank rust op de SVB in dit geval geen verplichting om in deze zaak die procedure te volgen. Overigens lijkt een bemiddelingspoging ook niet erg kansrijk, gelet op de brief van de Luxemburgse autoriteit van 28 september 2018, die tijdens de zitting is overgelegd. Hierin staat dat eiser in de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 september 2007 niet verzekerd is geweest in Luxemburg, dat zijn werkgever in deze periode ook geen premies heeft afgedragen, en dat verplichte verzekering niet met terugwerkende kracht kan worden hersteld omdat de Luxemburgse wetgeving een verjaringstermijn kent van 5 jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Het beroep is ongegrond. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c9c16c31-fe89-4b77-874b-e5ae9016f292" label="1">
    <para> Artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c59d0d8-68c8-489e-811a-c5a9d0f5b9c8" label="2">
    <para> Uitspraak van 24 januari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB0718</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>