<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2019:2002</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-06T10:04:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 18_6076</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:2002">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:2002</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-06T10:03:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2019:2002 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-04-2019 / BRE 18_6076</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2019:2002:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Opposanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen op hun handhavingsverzoeken van 9 mei 2018 en 14 mei 2018.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2019:2002:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 18/6076 GEMWT  V</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 18 april 2019 van de enkelvoudige kamer op het verzet van</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser 1] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam eiser 2] ,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam eiser 3] ,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam eiser 4]
        </emphasis>
      </para>
      <para>allen te [woonplaats] , opposanten, </para>
      <para>gemachtigde: [naam gemachtigde] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para>Opposanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen op hun handhavingsverzoeken van 9 mei 2018 en 14 mei 2018. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 13 december 2018 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposanten hebben tegen deze uitspraak verzet ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzet is ter zitting behandeld in Breda op 21 maart 2019. Opposant [naam eiser 4] is verschenen. Hij heeft tevens opgetreden als gemachtigde voor opposanten [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam eiser 3] , die niet zijn verschenen. .</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para>1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat niet gebleken is dat eisers nog een belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door het college, omdat het college op 18 september 2018 een besluit heeft genomen. Daarbij zijn de verzoeken om handhaving afgewezen. </para>
    <para />
    <para>2. Opposanten voeren tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat zij er belang bij hebben dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de handhavingsverzoeken alsnog gegrond wordt verklaard, zodat beslist wordt over de dwangsombeschikking van 26 november 2018, alsmede over de proceskostenvergoeding. Voorts verzoeken opposanten vast te stellen dat er een spoedeisend belang bestaat en dat een voorlopige voorziening wordt getroffen om aan de (illegale) bewoning door de arbeidsmigranten een einde te maken. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt voorop dat het rechtsmiddel verzet enkel de vraag aan de orde kan stellen of de rechtbank terecht tot een vereenvoudigde afdoening is overgegaan. In deze verzetzaak dient uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden kan de rechtbank in deze zaak alleen toekomen als het verzet gegrond is. </para>
    <para />
    <para>4. In wat opposanten hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 13 december 2018 is gedaan. Bij besluit van 18 september 2018 heeft het college beslist op de verzoeken om handhaving en is aan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit tegemoet gekomen. Daarom is het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet is ongegrond. Ingevolge artikel 8:55, achtste lid van de Awb blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan, in stand. De rechtbank zal dus niet ingaan op het verzoek van opposanten om alsnog te beslissen over de dwangsombeschikking en ziet voorts geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Graumans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>