<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2019:1791</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-06T08:23:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BRE 18_8320</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:1791">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2019:1791</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-06T08:12:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2019:1791 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-04-2019 / BRE 18_8320</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2019:1791:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college op hun bezwaarschrift van 3 augustus 2018 tegen de brief van het college van 25 juni 2018.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2019:1791:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 18/8320 GEMWT</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 18 april 2019 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser 1] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam eiser 2] ,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam eiser 3] ,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam eiser 4]
        </emphasis>
      </para>
      <para>allen te [woonplaats] , opposanten, </para>
      <para>gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para>Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college op hun bezwaarschrift van 3 augustus 2018 tegen de brief van het college van 25 juni 2018. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 november 2018 heeft het college het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 21 maart 2019. Eiser [naam eiser 4] is verschenen. Hij heeft tevens opgetreden als gemachtigde van eisers [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam eiser 3] , die niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam gemachtigde 2] , [naam gemachtigde 3] en [naam gemachtigde 4] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para>1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 9 mei 2018 en 14 mei 2018 hebben eisers een verzoek tot handhaving ingediend, in verband met de bewoning door arbeidsmigranten van het pand aan de [adres] te [woonplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Per brief van 25 juni 2018, verzonden op 28 juni 2018, heeft het college aan eisers laten weten voornemens te zijn de handhavingsverzoeken af te wijzen. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze in te dienen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 3 augustus 2018 hebben eisers een bezwaarschrift ingediend tegen (de conclusie zoals die verwoord is in) de brief van 25 juni 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 6 november 2018 hebben eisers het college in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op hun bezwaarschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 november 2018 heeft het college het bezwaarschrift van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het college met de brief van 25 juni 2018 nog geen besluit had genomen op de verzoeken tot handhaving, waartegen bezwaar en beroep openstond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient van de aanwezigheid van (voldoende) procesbelang te worden uitgegaan als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers wilden met het instellen van beroep bereiken dat er een beslissing zou komen op hun bezwaarschrift. Het college heeft op 20 november 2018 een beslissing op het bezwaarschrift van eisers genomen. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank het procesbelang van eisers komen te ontvallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eisers hebben daarnaast verzocht het college te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten. Het enkele verzoek om proceskostenveroordeling levert geen procesbelang op. Ter zitting heeft de gemachtigde verzocht om het toekennen van een schadevergoeding, waarbij de schade bestaat uit kosten die gemaakt zijn voor het voeren van de onderhavige procedure. De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat de gevorderde kosten andere kosten dan proceskosten betreffen. Voor zover de gemachtigde wel bedoeld heeft andere kosten dan proceskosten te vorderen, is niet inzichtelijk gemaakt hoe deze schade zich verhoudt tot het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 3 augustus 2018 en is evenmin de gestelde schade voldoende onderbouwd met stukken. De gevorderde schadevergoeding betreft aldus in feite een verzoek tot proceskostenveroordeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve ook op deze grond geen procesbelang van eisers worden vastgesteld.  </para>
    <para />
    <para>4. Nu geen procesbelang van eisers kan worden vastgesteld, zal het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Graumans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>