<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2018:6881</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-19T08:03:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-12-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">rk 18-009492 96-225128-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:6881">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:6881</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-17T11:09:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2018:6881 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 13-12-2018 / rk 18-009492 96-225128-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2018:6881:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beschikking raadkamer op klaagschrift invordering rijbewijs. Artikel 164 lid 8 Wegenverkeerswet 1994</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2018:6881:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team strafrecht </para>
      <para>Locatie Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer: 	96/225128-18</para>
      <para>rk-nummer: 	18-009492</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">Beslissing op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994, ingekomen ter griffie op 30 november 2018 strekkende tot teruggave van het</para>
      <para>ingevorderde rijbewijs in de zaak:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [klager] ,</para>
      <para>
        [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] .</para>
      <para>
        [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het klaagschrift;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het proces-verbaal van de politie;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de beslissing van het openbaar ministerie van 26 oktober2 018 het rijbewijs niet terug te geven aan klager;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 11 december 2018,waaruit blijkt dat de officier van justitie en de raadsman van klager, mr. R.K. Verkaart, advocaat te Breda, zijn gehoord.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klager is niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klager reed op 12 november 2018 in Vlissingen als bestuurder in een auto. Ter controle van de Wegenverkeerswet is de auto stilgehouden. Nadat klager mee had gewerkt aan een voorlopig onderzoek uitgeademde lucht is gevorderd medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek speeksel. In het proces-verbaal rijden onder invloed is gerelateerd dat bij klager sprake was van vergrote pupillen, een woordenvloed, onrustig gedrag/bewegingsdrang en dat uit de auto een penetrante hennepgeur kwam. Tevens is vermeld dat klager antecedenten heeft voor het bezit, dan wel handelen in harddrugs en dat ambtshalve bekend is dat hij gebruiker is van verdovende middelen. Ondanks daartoe bij herhaling in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft klager geen gevolg gegeven aan genoemde vordering. Aan het vervolgens gegeven bevel mee te werken aan een bloedonderzoek is ook geen gevolg gegeven. De verdenking is dan ook dat verdachte medewerking aan een bloedproef heeft geweigerd. Uit het strafblad van 4 december 2018, dat 29 pagina’s beslaat, blijkt dat aan klager bij herhaling en veelvuldig straffen zijn opgelegd voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Voorts is sprake van veroordelingen ter zake van overtreding van de Opiumwet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer komt er samengevat op neer dat er op 12 november 2018 geen grond was voor uitoefening van de in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 gegeven bevoegdheden en dat sprake is van een hetze tegen klager. Dat verweer treft geen doel aangezien de in het proces-verbaal rijden onder invloed vermelde kenmerken en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, zonder meer grondslag bieden voor het instellen van een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Dat klager het optreden van de politie kennelijk als een tegen hem gerichte hetze ervaart, mag zo zijn maar de rechtbank heeft op basis van het voorliggende dossier geen aanwijzingen voor een hetze. Feit is nu eenmaal dat het strafblad van klager, zoals hiervoor vermeld, een jarenlange geschiedenis laat zien van overtredingen betreffende de deelname van klager aan het verkeer. Daarbij is sprake van overtredingen van de Opiumwet. Gelet daarop is het goed verklaarbaar en in verband met de verkeersveiligheid ook terecht dat klager de aandacht heeft van de politie als hij aan het verkeer deelneemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande is er sprake van verdenking van zeer ernstige overtreding van de Wegenverkeerswet, waarbij de veiligheid van het verkeer in hoge mate is betrokken. Indien klager de beschikking over zijn rijbewijs zou herkrijgen is nog steeds een zodanige bedreiging van de veiligheid op de weg te duchten dat daarom de verdere inhouding van het ingevorderde rijbewijs wordt gerechtvaardigd. Het klaagschrift zal dan ook ongegrond worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond en wijst het verzoek tot teruggave af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is op 13 december 2018 gegeven door mr. G.H. Nomes, rechter, in tegenwoordigheid van R. de Moor, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is buiten staat om deze beslissing te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande</para>
      <para>beschikking en brengt deze ter kennis van verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>                              Middelburg, </para>
      <para>                              De officier van justitie,</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>