<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2018:6189</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-05T12:16:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02-700220-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:6189">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:6189</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-05T12:15:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2018:6189 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 01-11-2018 / 02-700220-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2018:6189:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beslissing op beroep tegen afwijzing vordering tot inbewaringstelling. Recidivegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2018:6189:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</para>
  <para>Team strafrecht, locatie Middelburg</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Parketnummer: 02/700220-18</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vernietiging beslissing RC tot afwijzing van de bewaring.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Beslissing op het door de officier van justitie bij deze rechtbank ingestelde</para>
    <para>hoger beroep d.d. 29 oktober 2018 tegen de beslissing d.d. 29 oktober 2018 van</para>
    <para>de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze</para>
    <para>rechtbank, waarbij werd afgewezen de vordering van de officier van justitie,</para>
    <para>strekkende tot het verlenen van een bevel tot bewaring tegen de verdachte:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      [Verdachte] ,</para>
    <para>geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] ,</para>
    <para>wonende te [adres]</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. De procedure.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:</para>
  </parablock>
  <para>- de vordering tot bewaring d.d. 29 oktober 2018;</para>
  <para>- de beslissing van de rechter-commissaris d.d. 29 oktober 2018;</para>
  <para>- de appélmemorie van de Officier van Justitie d.d. 31 oktober 2018;</para>
  <para>Gehoord verdachte, diens raadsvrouw en de officier van justitie.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>2. De beoordeling.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er, gelet op de inhoud van de</para>
    <para>stukken, ernstige bezwaren voor de feiten op de vordering tot</para>
    <para>inbewaringstelling. Met betrekking tot de recidivegrond overweegt de</para>
    <para>rechtbank als volgt. Voor het aannemen van de recidivegrond is vereist dat</para>
    <para>het recidivegevaar voldoende concreet en acuut is. Het strafblad van</para>
    <para>verdachte is daartoe niet voldoende redengevend en het enkele bezit van een</para>
    <para>vuurwapen is dat evenmin. Van betekenis is de verklaring van verdachte,</para>
    <para>afgelegd op 29 oktober 2018 ten overstaan van de rechter-commissaris,</para>
    <para>inhoudende, zakelijk weergegeven, dat hij naar Nederland is gevlucht omdat erin Moskou een aanslag op hem was gepleegd en dat hij had gehoord dat ze weten</para>
    <para>waar hij woont en dat hij zich bedreigd voelde. Ter zitting is door de</para>
    <para>raadsvrouw gezegd dat verdachte onlangs heeft vernomen dat zijn</para>
    <para>verblijfplaats in Nederland bekend is geworden. De rechtbank acht dit</para>
    <para>aannemelijk aangezien verdachte in deze omstandigheid kennelijk aanleiding</para>
    <para>heeft gezien een vuurwapen aan te schaffen. De rechtbank leidt hieruit af dat</para>
    <para>verdachte in een situatie verkeert waarin hij een schietklaar vuurwapen nodig</para>
    <para>acht, een situatie die naar het oordeel van de rechtbank reden geeft ernstig</para>
    <para>te vrezen dat verdachte, wanneer hij zich niet in voorlopige hechtenis</para>
    <para>bevindt, zich schuldig zal maken aan een strafbaar feit als bedoeld in</para>
    <para>artikel 67a lid 2 Wetboek van Strafvordering, meer in het bijzonder een feit</para>
    <para>waardoor de gezondheid en veiligheid van personen in gevaar kan worden</para>
    <para>gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden</para>
    <para>voldoende basis voor het aannemen van de recidivegrond. Dit betekent dat de</para>
    <para>beslissing van 29 oktober 2018 van de rechter-commissaris tot afwijzing van</para>
    <para>de vordering tot inbewaringstelling niet in stand kan blijven.</para>
    <para>Er is geen sprake van een situatie van artikel 67a lid 3 Wetboek van</para>
    <para>Strafvordering.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De conclusie is dat het hoger beroep gegrond zal worden verklaard en de</para>
    <para>rechtbank zal de bewaring bevelen voor de periode van veertien dagen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen</para>
    <para>aangezien de rechtbank niet beschikt over een rapport van Reclassering</para>
    <para>Nederland met een concreet plan van aanpak waaruit blijkt dat de kans op</para>
    <para>herhaling tot een voor de maatschappij aanvaardbaar niveau kan worden</para>
    <para>teruggebracht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>3. De beslissing.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>- verklaart het hoger beroep gegrond.</para>
  <para />
  <para>- vernietigt de beslissing van de Rechter-Commissaris belast met de</para>
  <para>behandeling van strafzaken d.d. 29 oktober 2018 tot afwijzing van de vorderingtot inbewaringstelling.</para>
  <para />
  <para>- verleent een bevel tot bewaring tegen verdachte voor de tijd van veertien</para>
  <para>  dagen;</para>
  <para />
  <para>- bepaalt dat deze bewaring zal worden ondergaan in het huis van bewaring te</para>
  <para>  Middelburg of enig ander huis van bewaring.</para>
  <para />
  <para>- wijst af het schorsingsverzoek.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Deze beslissing is gegeven op 1 november 2018 door mr G.H. Nomes, voorzitter</para>
    <para>en mrs H.E. Goedegebuur en H. Skalonjic, rechters, in tegenwoordigheid van</para>
    <para>P.L. Francke, griffier.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>