<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2018:1745</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T03:51:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/342069 / KG ZA 18-125</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RAV 2018/60</rdf:li>
          <rdf:li>JA 2018/74 met annotatie van mr. P.J. klein Gunnewiek</rdf:li>
          <rdf:li>GJ 2018/86 met annotatie van mr. drs. E.E. Hoogeterp</rdf:li>
          <rdf:li>GZR-Updates.nl 2018-0137 met annotatie van R.P. Wijne</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:1745">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2018:1745</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-23T10:00:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2018:1745 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-03-2018 / C/02/342069 / KG ZA 18-125</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2018:1745:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Ziekenhuis handelt niet onrechtmatig jegens hoogzwangere vrouw door te weigeren uitvoering te geven aan de behandelingsovereenkomst op de door haar gewenste wijze. </para>
        <para>Ziekenhuis is niet gehouden met verloskundige een toelatingsovereenkomst te sluiten nu verloskundige de daarin opgenomen bepalingen niet wenst na te komen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2018:1745:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="54680b71-704f-48c4-b375-4a8d86c803dc" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="9f43899b-2165-4049-904d-ca056e141f13" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK BREDA</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Cluster II Handelszaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/02/342069 / KG ZA 18-125</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 23 maart 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [eiseres sub 1]</title>
    <para>wonende te [plaats A] ,</para>
    <para>2.	<emphasis role="bold">[eiseres sub 2]</emphasis>,</para>
    <para>wonende te [Plaats B] ,</para>
    <para>3. de stichting <emphasis role="bold">STICHTING PROEFPROCESSENFONDS </emphasis></para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">CLARA WICHMANN</emphasis>,</para>
      <para>statutair gevestigd te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para>4. de stichting <emphasis role="bold">DE GEBOORTEBEWEGING</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>statutair gevestigd te Ede,</para>
      <para>eiseressen,</para>
      <para>advocaat mr. M.F. van der Mersch te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de stichting <emphasis role="bold">STICHTING BRAVIS ZIEKENHUIS</emphasis>,</para>
      <para>statutair gevestigd te Roosendaal,</para>
      <para>vrijwillig verschenen,</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>advocaat mr. P. Bergkamp te Nijmegen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de als conclusie van eis overgelegde dagvaarding met producties 1 t/m 12;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brieven van mr. Bergkamp van 6 en 7 maart 2018, met producties 1 t/m 8;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitnota van eiseressen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleitnota van verweerster.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <bridgehead>
    <nr>2</nr>Het geschil </bridgehead>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil </title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiseressen vorderen als voorlopige voorziening: </para>
      <para>- verweerster te veroordelen om binnen 24 uur na dit vonnis uitvoering te geven aan 		de behandelingsovereenkomst die zij met eiseres sub 1 heeft gesloten, althans een 		nieuwe behandelingsovereenkomst met haar aan te gaan, en haar -onder 			begeleiding en verantwoordelijkheid van eiseres sub 2- in het Moeder en 			Kindcentrum (MKC) van het ziekenhuis te laten bevallen en haar keuzes te 			respecteren;</para>
      <para>- verweerster te gebieden om binnen 24 uur na dit vonnis eiseres 2 een kortdurende 	toelatingsovereenkomst aan te bieden voor de begeleiding van de bevalling van 	eiseres sub 1 in het MKC van verweerster, althans zodanige voorziening te treffen 	als de voorzieningenrechter in goede justitie 	vermeent te behoren</para>
      <para>- verweerster te veroordelen in de kosten van deze procedure. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verweerster voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 9 maart 2018 heeft de voorzieningenrechter vanwege de spoedeisendheid een 	vonnis uitgesproken zonder overwegingen. In dit vonnis worden de overwegingen 	weergegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde 	producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:</para>
      <para />
      <para>- Eiseres sub 1 ( [eiseres sub 1] ) is 37 weken zwanger van haar tweede kind. Zij is 	uitgerekend op 24 maart 2018. Omdat haar eerste kind door middel van een 	keizersnede is geboren heeft [eiseres sub 1] een medische indicatie om in het ziekenhuis 	te bevallen onder de verantwoordelijkheid van een gynaecoloog.  </para>
      <para>- Eiseres sub 2 ( [eiseres sub 2] ) is een gekwalificeerde eerstelijns verloskundige met een 	eigen verloskundepraktijk in [Plaats B] . </para>
      <para>- Eiseres sub 3 (Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann) stelt zich ten doel 	de emancipatie van vrouwen te bevorderen en hun discriminatie te bestrijden, in 	het bijzonder door het bevorderen van grensverleggende jurisprudentie. Zij tracht 	haar doel onder meer te verwezenlijken door het financieel ondersteunen van 	juridische procedures, alsmede door het bevorderen van publiciteit, in het bijzonder 	het geven van bekendheid aan de juridische procedures. </para>
      <parablock>
        <para>-.	Eiseres sub 4 (Stichting de Geboortebeweging) heeft ten doel het bevorderen van </para>
        <para>	de rechten en de belangenbehartiging van cliënten in de Nederlandse geboortezorg. 	Zij tracht haar doel onder meer te bereiken door informatie te verschaffen aan 	zwangere vrouwen over hun rechten, op te komen voor vrouwen wier rechten 	(dreigen te) worden of zijn geschonden en bij te dragen aan participatie in de 	geboortezorg. </para>
      </parablock>
      <para>- Verweerster (Bravis) is een ziekenhuis dat is gevestigd in Roosendaal en Bergen op 	Zoom. In Bergen op Zoom bevindt zich het MKC van het ziekenhuis. In het MKC 	kunnen zwangere vrouwen poliklinisch onder begeleiding van een verloskundige 	bevallen (poliklinische bevalling met een plaatsindicatie). Tevens is er een 	badbevalling mogelijk.</para>
      <para>- Coöperatie Qoqon (hierna: Qocon) is een coöperatie bestaande uit een aantal 	verloskundigenpraktijken, Bravis, de maatschap gynaecologie van het Bravis en 	een aantal kraamzorginstellingen. Qocon is werkzaam in de regio Roosendaal en 	Bergen op Zoom en richt zich op integrale geboortezorg. [eiseres sub 2] is geen lid van 	Qocon. </para>
      <para>- [eiseres sub 1] heeft op verwijzing van een eerstelijns verloskundige te Bergen op Zoom 	op 24 oktober 2017 een gynaecoloog in Bravis geconsulteerd. Tijdens dat consult  	is besproken dat [eiseres sub 1] tot een zwangerschapsduur van 36 weken onder controle 	van de eerstelijns verloskundige zou blijven indien de zwangerschap zonder 	problemen zou verlopen, dat zij vanaf een zwangerschapsduur van 36 weken door 	de gynaecoloog van Bravis zou worden gecontroleerd en dat deze haar verder zou 	begeleiden tot het einde van de zwangerschap </para>
      <para>- [eiseres sub 1] wil niet onder begeleiding en verantwoordelijkheid van een gynaecoloog 	bevallen maar onder begeleiding van een eerstelijns verloskundige en zonder 	continue CTG-registratie. Nadat geen van de verloskundigen binnen Qocon bereid 	was om medewerking te verlenen aan de wens van [eiseres sub 1] , heeft zij zich in 	december 2017 gewend tot [eiseres sub 2] .</para>
      <para>- Tijdens het consult op 11 januari 2018 heeft [eiseres sub 1] de gynaecoloog op de hoogte 	gesteld van voormelde wens. De gynaecoloog  heeft de risico’s daarvan met 	[eiseres sub 1] besproken en zij heeft medegedeeld dat zij de wensen van [eiseres sub 1] zou 	bespreken met haar collegae-gynaecologen, de ziekenhuisjuristen en de Raad 	van Bestuur en dat vervolgens zou worden besloten of en in hoeverre aan de 	wensen van [eiseres sub 1] tegemoet zou kunnen worden gekomen. </para>
      <para>- Op 22 januari 2018 is aan [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] medegedeeld dat Bravis/de 	gynaecologen niet bereid is/zijn mee te werken aan de wens van [eiseres sub 1] . </para>
      <para>- [eiseres sub 1] heeft op 4 februari 2018 een klacht ingediend bij de klachtencommissie 	van Bravis. </para>
      <para>- [eiseres sub 2] heeft Bravis bij brief van 5 februari 2018 verzocht om met haar een 	eenmalige of kortdurende toelatingsovereenkomst te sluiten met als reden dat 	[eiseres sub 1] onder haar medische verantwoordelijkheid in het ziekenhuis kan bevallen.  -	Bravis heeft dat verzoek bij brief van 14 februari 2018 afgewezen om de 	navolgende redenen, samengevat:</para>
      <parablock>
        <para>	a	het verzoek van [eiseres sub 2] om als eerstelijns verloskundige een 				eenmalige of kortdurende toelatingsovereenkomst te sluiten voor enkel de 		begeleiding bij de bevalling van [eiseres sub 1] , staat haaks op het streven van 		Bravis naar langdurige samenwerkingsafspraken met ketenpartners in de 		regio, tevens leden van Qocon;</para>
        <para>	b.	Bravis laat alleen eerstelijns verloskundigen toe om in het ziekenhuis 			poliklinische bevallingen te begeleiden als zij lid zijn van Qocon, binnen 		welke organisatie gezamenlijke afspraken zijn gemaakt omtrent kwaliteit 		en veiligheid van geboortezorg en aan welke afspraken alle leden zich 			dienen te houden;</para>
        <para>	c.	een van de kwaliteitsafspraken binnen Qocon is dat door de betrokken 			zorgverleners een gezamenlijk patiëntendossier wordt gevoerd. [eiseres sub 2] 		maakt daarvan geen gebruik. Daarnaast wordt iedere zwangere besproken 		in een gezamenlijke intakebespreking tussen de eerste en tweede lijn. 			Ingeval [eiseres sub 1] bij een poliklinische bevalling alsnog verwezen moet 			worden naar de tweede lijn, kan de kwaliteit en veiligheid van zorg 			onvoldoende worden gewaarborgd. </para>
        <para>	d.	over de bezwaren a t/m c zou kunnen worden heen gestapt, ware het niet 		dat vastgesteld is dat [eiseres sub 1] een medische indicatie heeft volgens de 			landelijk (VIL) en lokaal (Qocon) geldende richtlijnen en dus dient te 			bevallen onder de medische verantwoordelijkheid van een gynaecoloog. </para>
        <para>	e.	er zouden separate financiële afspraken gemaakt moeten worden. </para>
        <para>	Bravis heeft [eiseres sub 1] als alternatieven aangeboden de bevalling te laten 	plaatsvinden in het MKC onder de medische verantwoordelijkheid van een van 	haar gynaecologen, maar met de begeleiding van een tweedelijnsverloskundige, 	waarbij [eiseres sub 2] als doula (een bevallingscoach) kan worden betrokken, danwel 	[eiseres sub 1] te verwijzen naar het AMC (poli op maat).</para>
      </parablock>
      <para>- [eiseres sub 1] heeft de geboden alternatieven niet geaccepteerd. Bij brief van (hun 	advocaat) van 26 februari 2018 hebben [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] Bravis een sommatie 	gezonden. Bravis heeft daar niet aan voldaan.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Ontvankelijkheid eiseressen 3 en 4</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Anders dan Bravis is de voorzieningenrechter van oordeel dat Stichting 	Proefprocessenfonds Clara Wichmann en Stichting de Geboortebeweging gelet op 	hun statutaire doelstellingen ontvankelijk zijn in hun vorderingen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Standpunt eiseressen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.3..	Eiseressen ( [eiseres sub 1] c.s.) leggen aan hun vordering ten grondslag dat Bravis jegens 	[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] onrechtmatig handelt omdat </para>
        <para>(1)	Bravis de behandelingsovereenkomst met [eiseres sub 1] heeft beëindigd terwijl daarvoor 	geen gewichtige redenen bestaan, hetgeen in strijd is met artikel 7:460 BW en de 	richtlijn “Niet aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelings- 	overeenkomst”;</para>
        <para>(2)	Bravis weigert een toelatingsovereenkomst te sluiten met [eiseres sub 2] .		. </para>
        <para>	[eiseres sub 1] c.s. voeren daartoe het navolgende aan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ad1:	[eiseres sub 1] wil, gelet op het feit dat zij een verhoogde kans heeft op een spoedeisende 	situatie tijdens haar bevalling, in het MKC bevallen. [eiseres sub 1] heeft geen goede 	herinneringen overgehouden aan haar eerste bevalling en zij wil nu een zo natuur-	lijk mogelijke bevalling met zo min mogelijk medische interventies of medische 	protocollen. Zij heeft voor het Bravis/MKC gekozen omdat er een badbevalling 	mogelijk is, hetgeen niet het geval is in andere haar woonplaats ( [plaats A] ) 	omringende ziekenhuizen [eiseres sub 1] wil tijdens de bevalling geen continue CTG-	monitoring en zij wil niet geconfronteerd worden met wisselende onbekende 	personen om haar heen. [eiseres sub 1] wil daarom niet onder begeleiding en verant-	woordelijkheid van een gynaecoloog bevallen maar onder begeleiding en ver-	antwoordelijkheid van [eiseres sub 2] . Zij wil ook niet dat een gynaecoloog van Bravis 	zich tijdens de bevalling in de verlosruimte bevindt of zich op de hoogte komt 	stellen hoe de bevalling verloopt. Zij is bevreesd dat er tijdens de bevalling dan een 	discussie zal ontstaan tussen de gynaecoloog en [eiseres sub 2] . [eiseres sub 1] heeft er 	vertrouwen in dat [eiseres sub 2] tijdens de bevalling een goede risico-inschatting kan 	maken wanneer zij moet worden overgedragen aan een gynaecoloog. Indien er 	tijdens de bevalling desondanks iets mis zou gaan is het zieken	huis noch de 	individuele gynaecoloog daarvoor verantwoordelijk c.q. aansprakelijk. [eiseres sub 1] is 	een wilsbekwame goed geïnformeerde patiënte die een bewuste keuze heeft 	gemaakt en daarin volhardt. Deze wensen zijn niet ongebruikelijk en dienen te 	worden gerespecteerd. De door Bravis aangeboden alternatieven zijn voor </para>
        <para>	[eiseres sub 1] geen reële optie. </para>
        <para>	[eiseres sub 1] c.s. stellen dat [eiseres sub 1] het recht heeft om af te zien van bepaalde 	onderdelen van de zorg die haar worden geadviseerd door een zorgverlener. </para>
        <para>	Op grond van artikel 7:450 BW is voor elke verrichting ter uitvoering van de 	behandelingsovereenkomst toestemming van de patiënt nodig. De richtlijnen en 	protocollen van de beroepsgroep die Bravis bij de uitvoering van de behande-</para>
        <para>	lings overeenkomst op grond van de professionele standaard in acht dient te 	nemen (het Verloskundig Vademecum 2003) zijn een leidraad voor het verlenen 	van verantwoorde zorg, en daarvan kan (soms moet) in individuele gevallen worden 	afgeweken. [eiseres sub 1] c.s wijzen in dit verband op artikel 2 van de Wet kwaliteit 	klachten en geschillen in de zorg (Wkkgz) waarin is bepaald dat Bravis goede zorg 	dient te verlenen, waarbij de afstemming op de reële behoefte van de patiënt van 	belang is. Tevens wijzen zij erop dat in de richtlijn van NVOG  (de beroeps-	vereniging voor gynaecologen) “Intrapartum foetale bewaking à terme” 	(waarin aanbevelingen zijn opgenomen met betrekking tot CTG-bewaking) is 	vermeld dat de NVOG richtlijnen een adviserend karakter hebben en dat een 	gynaecoloog daarvan beargumenteerd kan afwijken wanneer concrete om-	standigheden dat noodzakelijk maken, hetgeen onder meer het geval kan zijn 	wanneer een gynaecoloog tegemoet moet komen aan de objectieve noden en/of 	subjectieve behoeften van een individuele patiënt. [eiseres sub 1] c.s. wijzen voorts op de 	“Zorgstandaard Integrale Geboortezorg” waarin is bepaald dat de integrale 	geboortezorg zo dient te worden georganiseerd dat een zwangere keuzemogelijk-	heden heeft en houdt om haar belang en dat van haar (ongeboren) kind te 	behartigen, ongeacht welke lokale afspraken er in een bepaald geografisch gebied 	worden gemaakt en dat de zwangere in de gelegenheid blijft zelf een verloskundig 	verlener en bijvoorbeeld een bevallingslocatie of een kraamorganisatie te kiezen. 	Bij wensen die afwijken van de richtlijnen en standaarden vindt overleg plaats 	tussen de betrokken zorgverleners en de zwangere hoe zo goed mogelijk aan deze 	wensen tegemoet kan worden gekomen, maar uiteindelijk beslist de zwangere zelf 	(keuzevrijheid). </para>
        <para>	Ten slotte wijst [eiseres sub 1] op de “Leidraad Verloskundige zorg buiten de richtlijnen” 	die de KNOV (de beroepsorganisatie van de verloskundigen) tezamen met de 	NVOG in 2015 specifiek voor dit soort situaties heeft opgesteld en die derhalve 	zwaarder dient te wegen dan de overige richtlijnen van de NVOG, meer in het 	bijzonder het Verloskundig Vademecum 2003. Volgens [eiseres sub 1] c.s. handelt Bravis 	in strijd met voormelde richtlijnen door de weigering van [eiseres sub 1] toestemming te 	geven voor een medische behandeling niet te respecteren. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	[eiseres sub 1] c.s. benadrukken dat de vrijheid om een medische behandeling te onder- 	gaan of te weigeren wezenlijk is in het licht van de beginselen van zelfbeschikking 	(artikel 1 Grondwet) en persoonlijke autonomie (artikel 10 Grondwet en artikel 8 	EVRM) en dat Bravis daarop inbreuk maakt. De professionele autonomie van de 	arts strekt niet zo ver dat, gelet op dit zelfbeschikkingsrecht, de patiënt in een 	onmogelijke en potentieel onveilige situatie wordt gebracht. Het alternatief voor 	[eiseres sub 1] is immers dat zij thuis bevalt danwel in een ziekenhuis ver buiten haar 	regio. Als de rechten van zwangere 	vrouwen niet worden gerespecteerd zullen zij 	niet meer naar het ziekenhuis gaan maar zorg gaan mijden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Ad 2:	[eiseres sub 1] c.s. stellen dat [eiseres sub 2] een gekwalificeerde verloskundige is en dat 	Bravis haar belemmert om haar werkzaamheden in het ziekenhuis uit te oefenen. 	Bravis schermt feitelijk de markt af voor verloskundigen die geen lid zijn van 	Qocon. Door deze handelwijze belemmert Bravis de keuzevrijheid van [eiseres sub 1] , 	zonder dat daarvoor zorginhoudelijke of anderszins objectieve redenen zijn. Een <?linebreak?>	gezamenlijk patiëntendossier en gezamenlijke intakebesprekingen zijn immers niet 	noodzakelijk om goede zorg te verlenen en met de betrokken gynaecologen van 	Bravis heeft reeds overleg plaatsgevonden. Voor de bevalling kunnen in goed 	overleg verdere afspraken worden gemaakt en kan alle benodigde informatie (ten 	behoeve van een eventuele overdracht in geval van een spoedsituatie) worden 	uitgewisseld. Bravis maakt misbruik van haar machtspositie dan wel heeft zij een 	exclusiviteitsafspraak gemaakt die mededingingsbeperkend is. Daardoor handelt zij 	in strijd met het kartelverbod van artikel 6 Mededingingswet, dan wel anderszins 	onrechtmatig. Het feit dat de wensen van [eiseres sub 1] volgens Bravis niet binnen </para>
        <para>	de richtlijnen en protocollen passen is geen gegronde reden om een toelatings- 	overeenkomst te weigeren. Ten slotte kunnen financiële argumenten geen 	belemmering vormen voor het sluiten van een toelatingsovereenkomst met 	[eiseres sub 2] . </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt verweerster.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bravis heeft het navolgende verweer gevoerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ad 1: 	Bravis heeft de behandelingsovereenkomst met [eiseres sub 1] niet beëindigd. Ze heeft 	[eiseres sub 1] herhaaldelijk laten weten dat zij van harte welkom is om in het ziekenhuis 	te bevallen, mits onder begeleiding van een gynaecoloog, en dat geldt nog steeds.  	Zulks is met [eiseres sub 1] besproken in het consult van 24 oktober 2017 en [eiseres sub 1] is 	toen daarmee akkoord gegaan. [eiseres sub 1] heeft daarna pas aangegeven dat zij dat 	niet (meer) wil. Dat [eiseres sub 1] zelfbeschikkingsrecht en persoonlijke autonomie 	toekomt 	spreekt voor zich en staat wat Bravis betreft ook niet ter discussie. Daar 	staat echter tegenover de professionele autonomie van de gynaecologen van het 	Bravis en de contractsvrijheid van het ziekenhuis. Als de persoonlijke autonomie 	van de patiënt botst met de professionele autonomie van de arts, dan prevaleert de 	professionele autonomie van de arts. Een arts kan nooit worden gedwongen om 	mee te werken aan een behandeling die naar zijn of haar oordeel geen goede 	verantwoorde uitoefening van de geneeskunde is. Als zij daaraan wel zouden 	meewerken dan zouden zij zelfs mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	[eiseres sub 1] heeft een medische indicatie om in het ziekenhuis te bevallen onder de 	verantwoordelijkheid van een gynaecoloog in verband met een eerdere keizer- 	snede. Daar komt bij dat de gynaecologen hebben vastgesteld dat de placenta 	dicht bij het litteken van de keizersnede ligt. Daardoor wordt het risico op hevig 		bloedverlies tijdens de bevalling vergroot en is er dus een groter risico op com- 	plicaties tijdens de bevalling. Er is sprake van een hoog risicozwangerschap. 	Ingevolge artikel 7:453 BW moet de hulpverlener bij zijn werkzaamheden de voor 	deze geldende professionele standaard van goede geboortezorg in acht nemen. 	Deze is vastgelegd in het “Verloskundig Vademecum” dat is aanvaard door de 	KNOV, de NVOG en de Landelijke Huisartsen Vereniging. Aan de leden van deze 	beroepsverenigingen is verzocht om de Verloskundige Indicatielijst (VIL) als 	zwaarwegend advies te gebruiken bij de individuele verloskundige hulpverlening  	en bij de samenwerking met de andere zorgverleners die bij de verloskunde 	betrokken zijn. Volgens de in Nederland algemeen aanvaarde richtlijnen dient 	[eiseres sub 1] gelet op het hoge risicofactor in het ziekenhuis te bevallen onder 	begeleiding van een gynaecoloog. De begeleiding van de bevalling door [eiseres sub 2] 	is daarmee in strijd en is onverantwoord en onveilig. De kans bestaat dat indien de 	bevalling onder begeleiding van [eiseres sub 2] plaatsvindt zonder continue CTG-	monitoring, de gynaecologen (veel) te laat worden geconsulteerd als er com-	plicaties ontstaan. Moeder en kind worden totaal onnodig aan aanzienlijke 	risico’s blootgesteld. Van 	Bravis kan niet worden verlangd dat binnen haar muren 	zorg wordt verleend die in 	strijd is met de professionele standaard van goede 	geboortezorg en zij kan daarvoor ook geen aansprakelijkheid dragen. Afwijking 	van richtlijnen, standaarden en protocollen door arts of verloskundige is slechts 	toegestaan en aanvaardbaar als dit in het belang van goede patiëntenzorg wenselijk 	is. Dat is ten aanzien van [eiseres sub 1] niet aan de orde; bij haar is gelet op het hoog 	risicofactor juist een nauwkeurige naleving in het belang van een goede 	patiëntenzorg. [eiseres sub 2] heeft als verloskundige de taak om [eiseres sub 1] ervan te 	overtuigen dat zij onder begeleiding van een gynaecoloog dient te bevallen en dat 	het niet verantwoord is dat zij (eerstelijnsverloskundige) deze bevalling doet. Een 	arts en een verloskundige zijn niet alleen gerechtigd maar zelfs verplicht om te 	weigeren de wens van een patiënt te honoreren als uitvoering daarvan zou 	betekenen dat in strijd met de professionele standaard wordt gehandeld. Uit niets 	blijkt dat [eiseres sub 2] heeft gedaan wat redelijkerwijs mogelijk is om [eiseres sub 1] ervan te 	overtuigen dat het onverantwoord is om op de door haar gewenste wijze te 	bevallen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ad 2:	Bravis beroept zich op het beginsel van contractsvrijheid. Zij hanteert een standaard-toelatings-overeenkomst die is gebaseerd op het NVZ-KNOV-model. Deze wordt door haar gesloten met alle eerstelijns verloskundigen die daarvoor gekwalificeerd zijn en aan haar verzoeken om een toelatingsovereenkomst te sluiten. Bravis beoordeelt 	elk verzoek op zichzelf. Lidmaatschap van Qocon is geen voorwaarde om een toelatingsovereenkomst te sluiten; het lidmaatschap waarborgt dat de verloskundige voldoet aan de kwaliteits- en veiligheidseisen die zij aan een toelating stelt. Als een verloskundige toegelaten wil worden die geen lid is van Qocon, zal Bravis verifiëren of deze verloskundige aan de door haar gewenste kwaliteits- en veiligheidseisen voldoet. Het staat Bravis vrij om in de toelatingsovereenkomst specifieke bepalingen op te nemen, waaronder de verplichting van een verloskundige dat deze zich dient te houden aan de algemeen aanvaardbare standaard. Aangezien [eiseres sub 2] daaraan niet wil voldoen heeft Bravis het recht om te weigeren met haar een toelatingsovereenkomst te sluiten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	Daarnaast voert Bravis nog aan dat [eiseres sub 2] niet op de hoogte is van de werkwijze 	in het MKC en de protocollen die binnen het MKC/Bravis gelden. Verloskundigen 	die tot Bravis worden toegelaten krijgen eerst een scholing op locatie om hen 	bekend en vertrouwd te maken met alle procedures. Zij krijgen uitleg over de 	hulpmiddelen en materialen waarover het MKC beschikt en over de precieze 	locatie daarvan. In een noodsituatie moeten zij op de hoogte zijn hoe de overdracht 	van de patiënt aan de gynaecoloog dient plaats te vinden en wie zij waarvoor moet 	benaderen. Bovendien moeten zij op de hoogte zijn van de opvangprocedure van 	een slecht neonaat. Het is onmogelijk om [eiseres sub 2] in de korte tijd die nog resteert 	tot de bevalling van [eiseres sub 1] vertrouwd te maken met alle in het MKC geldende 	procedures. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>	Ten slotte stelt Bravis dat zij vreest in aansprakelijkheidsdiscussies verzeild te 	geraken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Overwegingen voorzieningenrechter</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	vordering 1</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres sub 1] heeft in verband met haar zwangerschap de gynaecologen van Bravis 	geconsulteerd. Zij is door de behandelend gynaecoloog onderzocht en deze heeft 	haar geadviseerd. Nu [eiseres sub 1] zich tot een aan Bravis verbonden hulpverlener 	heeft gericht met een concrete hulpvraag, gericht op haar gezondheidssituatie, en 	de hulpverlener daarop is ingegaan, is aldus sprake van een behandelings-	overeenkomst tussen [eiseres sub 1] en Bravis. Bravis heeft aangevoerd dat zij de behandelingsovereenkomst niet heeft beëindigd. [eiseres sub 1] heeft niet feitelijk onderbouwd dat Bravis de behandelingsovereenkomst heeft beëindigd. Dat de behandelingsovereenkomst is beëindigd door Bravis is aldus niet aannemelijk geworden. Voor zover vordering 1 ziet op het aangaan van een nieuwe behandelingsovereenkomst, is deze dan ook niet toewijsbaar. </para>
        <para>De voorzieningenrechter zal vervolgens beoordelen of Bravis gehouden is uitvoering te geven aan de behandelingsovereenkomst op de door [eiseres sub 1] c.s. gevorderde wijze. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De behandelend gynaecoloog van Bravis heeft [eiseres sub 1] verdere controle door de 	gynaecoloog vanaf week 36 geadviseerd, alsmede een klinische bevalling onder 	leiding en verantwoordelijkheid van de gynaecoloog, dit vanwege een eerdere 	keizersnede en de plaats van de placenta nabij het litteken, elkaar versterkende 	risicofactoren. Daarbij is tevens permanente CTG-bewaking aanbevolen. [eiseres sub 1] 	wenst een poliklinische bevalling door en onder leiding van [eiseres sub 2] , zonder CTG bewaking. De bevalling dient volgens [eiseres sub 1] wel in Bravis plaats te vinden voor het geval zich complicaties voordoen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>
        [eiseres sub 1] heeft, zoals Bravis ook erkent, een zelfbeschikkingsrecht als opgenomen 	in onder andere artikel 7:450 lid 1 BW. Zij heeft het recht de adviezen van Bravis 	niet op te volgen. [eiseres sub 1] plaatst het geschil in de sleutel van haar niet betwiste <?linebreak?>	zelfbeschikkingsrecht, op grond waarvan zij ook het recht heeft af te zien van een aantal onderdelen van de door Bravis voorgestelde begeleiding van de bevalling. Het gevolg van de uitoefening van dit aan [eiseres sub 1] toekomende recht, op de wijze waarop zij dit in de onderhavige omstandigheden doet, is echter dat zij daarmee een wezenlijk andere wijze van begeleiding van de bevalling wenst -namelijk een poliklinische bevalling onder leiding van een door haar uitgekozen, niet aan Bravis verbonden verloskundige zonder continue CTG-bewaking- dan Bravis aan haar heeft geadviseerd en Bravis als behandeling, ter uitvoering van de behandelingsovereenkomst, aanbiedt namelijk een tweedelijnsbevalling onder leiding van een gynaecoloog met continue CTG-bewaking.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De vraag die dan ook aan de orde is of Bravis gehouden is haar medewerking te verlenen aan een andere behandeling dan zij aangewezen acht, meer in het bijzonder de door [eiseres sub 1] gewenste behandeling in plaats van de door Bravis geadviseerde behandeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Ook de meer beperkte wensen van [eiseres sub 1] aan het adres van Bravis ten aanzien van de bevalling betreffen handelingen ter uitvoering van een behandelings-overeenkomst. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 7:446 lid 3 BW, waarin is bepaald dat tot de behandelingen uit hoofde van de behandelingsovereenkomst (waaronder het verlenen van verloskundige bijstand) mede worden gerekend het in het kader daarvan verplegen en verzorgen van de patiënt en het overigens recht-streeks ten behoeve van de patiënt voorzien in de materiële omstandigheden waaronder die handelingen kunnen worden verricht. In artikel 7:462 BW is voorts bepaald dat indien ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst verrichtingen plaatsvinden in een ziekenhuis dat bij deze overeenkomst geen partij is, het ziekenhuis voor een tekortkoming daarbij mede aansprakelijk is, als ware het zelf bij de overeenkomst partij. Op grond van het bepaalde in artikel 7:463 BW kan de aansprakelijkheid van een hulpverlener of in geval bedoeld in artikel 7:462 BW, van het ziekenhuis, niet worden beperkt of uitgesloten. Deze bepalingen zijn van dwingend recht. Het standpunt van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] dat in geval van een bevalling onder begeleiding van [eiseres sub 2] alleen laatstgenoemde aansprakelijk is, is derhalve niet juist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 7:453 BW dient de hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg 	van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij te handelen in overeen-stemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor deze hulpverleners geldende professionele standaard. Deze verplichting leidt tot een zekere professionele autonomie van de hulpverlener. Deze professionele autonomie brengt met zich mee dat voor toewijzing van het gevorderde slechts plaats is indien [eiseres sub 1] c.s. aannemelijk maakt dat weigering van de verlangde behandeling strijdig is met de medisch-professionele standaard en dat een redelijk handelend hulpverlener in redelijkheid niet tot die weigering had kunnen komen (zie Gerechtshof Arnhem 24 mei 2011 ECLI:N:2011:BQ6277).</para>
        <para>De professionele standaard ten aanzien van verloskunde is onder meer neergelegd in het Verloskundig Vademecum, de NVOG-richtlijn “Zwangerschap en bevalling na een voorgaande sectio caesarea” en de leidraad “Leidraad Verloskundige zorg buiten de richtlijnen”. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Door Bravis is voldoende gesteld - en door [eiseres sub 1] c.s. onvoldoende, althans 	onvoldoende gemotiveerd betwist - dat vanwege de bij [eiseres sub 1] bestaande 	risicofactoren medisch gezien op grond van het Verloskundig Vademecum en de 	NVOG-Richtlijn “Zwangerschap en bevalling na een voorgaande sectio caesarea”) 	klinische bevalling en geen poliklinische behandeling geïndiceerd is. Dit recht-	vaardigt in beginsel in voldoende mate de keuze van Bravis om geen poliklinische 	bevalling aan te bieden. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <parablock>
        <para>In het Verloskundig Vademecum is voorts opgenomen dat in het algemeen geldt dat een cliënte een arts of verloskundige niet kan verplichten te handelen in afwijking van de professionele standaard en dat een verloskundige niet behoort te voldoen aan het verzoek van een cliënte om haar hoog risico-zwangerschap te begeleiden. Indien een eerstelijnsverloskundige van dit uitgangspunt meent af te kunnen wijken, bijvoorbeeld in het belang van de cliënte, dan zal zij dat goed moeten kunnen motiveren. </para>
        <para>Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de leidraad “Leidraad 	Verloskundige zorg buiten de richtlijnen” evenmin dat de zorgverlener dient te doen wat de cliënt wenst. Geadviseerd wordt immers duidelijk de grenzen aan te geven aan wat wel of niet kan en, indien een zwangere persisteert in een wens die men niet kan ondersteunen een goed vangnet te bespreken. </para>
        <para>De leidraad onderscheidt overigens een aantal “kernboodschappen”: overleg, het aanbieden van alternatieven, het raadplegen van een andere zorgverlener en de 	mededeling dat de patiënt welkom blijft. </para>
        <para>Tot februari 2018 heeft overleg plaatsgevonden tussen de gynaecologen en [eiseres sub 1] ; dit heeft evenwel niet tot overeenstemming geleid. Door de gynaecologe/ 	Bravis zijn aan [eiseres sub 1] diverse alternatieven geboden, waaronder het toelaten van 	[eiseres sub 2] tijdens de bevalling als doela. Ook bij de behandeling ter zitting heeft 	Bravis [eiseres sub 1] nog alternatieven aangeboden. Bravis heeft onweersproken gesteld dat zij de casus van [eiseres sub 1] (anoniem) heeft besproken met het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam, Deze zou haar hebben medegedeeld dat een dergelijke door [eiseres sub 1] gewenste bevalling binnen haar muren niet zou worden toegestaan en haar hebben geadviseerd om niet aan de door [eiseres sub 1] gewenste bevalling mee te werken. Bravis heeft aan [eiseres sub 1] medegedeeld dat zij welkom blijft in het ziekenhuis om daar te bevallen.</para>
        <para>In het licht van het voorafgaande heeft [eiseres sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat Bravis zich niet aan de leidraad heeft gehouden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>
        [eiseres sub 1] heeft gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat de weigering van Bravis van de verlangde behandeling strijdig is met de medisch-professionele standaard en dat een zorgvuldig handelend zorgverlener in redelijkheid niet tot die weigering heeft kunnen komen. Ook hetgeen overigens is gesteld door [eiseres sub 1] biedt geen aanknopingspunt dat Bravis onder deze omstandigheden gehouden is haar medewerking te verlenen aan een poliklinische bevalling van [eiseres sub 1] op de door haar gewenste wijze. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Dit alles leidt tot de slotsom dat Bravis niet gehouden is uitvoering te geven aan de 	behandelingsovereenkomst in de zin als gevorderd door [eiseres sub 1] . Van onrechtmatig handelen van Bravis onder deze omstandigheden evenmin sprake. Zoals hierna zal worden overwogen is Bravis ook niet gehouden een overeenkomst met [eiseres sub 2] te sluiten, zodat ook om deze reden dat de vordering onder 1 niet toegewezen kan worden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>Voor zover vordering 1 erop ziet Bravis te veroordelen om de keuzes van [eiseres sub 1] 	te respecteren, wordt deze als zijnde te onbepaald afgewezen. Dit geldt eveneens 	ten aanzien van de vordering een zodanige voorziening te treffen als de 	voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">vordering 2</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter overweegt dat het Bravis vrij staat beleid te voeren ten aanzien van de wijze waarop zij de verloskunde in haar ziekenhuis vorm wil geven. In het kader van dat beleid is Bravis gerechtigd te bepalen met welke zorgverleners zij overeenkomsten wenst te sluiten en welke afspraken zij met deze zorgverleners wenst te maken. </para>
        <para>Bravis heeft aangegeven dat zij zich voor wat betreft de inhoud van de te maken afspraken bedient van een standaard toelatingsovereenkomst, welke is gebaseerd op het NVZ-KNOV-model.  </para>
        <para>	In de standaard toelatingsovereenkomst is in artikel 2.1. opgenomen dat de 	verloskundige zich verplicht om onder haar persoonlijke verantwoordelijkheid 	bevallingen in het MKC/Ziekenhuis te verrichten in die situaties waarin geen 	sprake is van een medische indicatie en een normaal verloop van de bevalling te 	verwachten is. In artikel 2.3. van de standaard toelatingsovereenkomst verplicht de 	verloskundige zich om de geldende wet- en regelgeving in acht te nemen en na te 	komen, waaronder de regionaal geldende zorgpaden en protocollen van het 	verloskundig samenwerkingsverband, de in het ziekenhuis geldende procedures 	voor en afspraken over het verlenen van verloskundige hulp en de verloskundige 	indicatielijst van het meest recente Verloskundig Vademecum. Al deze regelingen 	maken deel uit van de toelatingsovereenkomst.</para>
        <para>Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is Bravis gerechtigd deze bepalingen in de door haar gehanteerde toelatingsovereenkomst op te nemen. Ook is Bravis gerechtigd te streven naar langdurige samenwerkingsafspraken, mede gelet op de  als gevolg van die keuze verwachte gunstige invloed op de kwaliteit van de zorg. Bravis is dan ook niet verplicht [eiseres sub 2] een overeenkomst aan te bieden en zulks temeer niet nu de kennelijk gewenste kortdurende overeenkomst met het oog op een door Bravis niet gewenste poliklinische bevalling van [eiseres sub 1] in strijd is met het beleid van Bravis en strijd zou opleveren met de contractuele bepalingen in de door Bravis gehanteerde standaard toelatingsovereenkomst.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van het beroep op schending van het kartelverbod als neergelegd in artikel 6 Mededingingswet overweegt de voorzieningenrechter dat de  binnen Qocon gemaakte afspraken en de tussen Bravis en Qocon gemaakte afspraken noch het samenspel van deze afspraken er toe strekken de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Het samenstel van afspraken is gelet op de inhoud van de afspraken onmiskenbaar gericht op de kwaliteit van de zorg, onder meer door het waarborgen van het nakomen van protocollen en het opdoen van kennis en ervaring met de poliklinische verloskunde bij Bravis. Dat het samenstel van afspraken de strekking heeft bepaalde verloskundigen of bepaalde zorg uit te sluiten volgt niet uit de overgelegde afspraken. De enkele omstandigheid dat door Bravis onder bepaalde medische omstandigheden bepaalde zorg niet wordt aangeboden en die zorg dan niet beschikbaar is in Bravis, brengt nog geen beperking van mededinging met zich mee. Bravis heeft in dit verband voorts onweersproken aangevoerd dat zij geen enkele eerstelijns verloskundige zal toestaan de bevalling te begeleiden op de door [eiseres sub 1] voorgestane wijze zodat ook op die grond geen sprake is van verhinderen, beperken of te vervalsen van de mededinging. </para>
        <para>Dat naar haar uitwerking het samenspel van afspraken een beperking van de mededinging met zich meebrengt is in het licht van de overwegingen in het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2012 (ECLI:NL:2012:BX0345) onvoldoende onderbouwd gesteld in het licht van het verweer van Bravis.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <para>Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat er voor Bravis ook geen 	verplichting is om met [eiseres sub 2] een toelatingsovereenkomst te sluiten teneinde  aan de wensen van [eiseres sub 1] te kunnen voldoen. In zijn algemeenheid geldt dat de vrijheid van een patiënt om bepaalde handelingen niet toe te staan, nog niet met zich brengt dat het ziekenhuis verplicht is om met een zorgverlener, waarmee zij geen overeenkomst heeft, een toelatingsovereenkomst aan te gaan. Voorts geldt dat nu Bravis naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gehouden is aan [eiseres sub 1] de door haar gewenste behandeling aan te bieden, dit ook daarom geen reden kan vormen Bravis te verplichten een overeenkomst aan [eiseres sub 2] aan te bieden. Tenslotte staat de omstandigheid dat [eiseres sub 2] zich niet heeft uitgelaten over de door haar gewenste inhoud van de overeenkomst, toewijzing van de vordering in de weg. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.19.</nr>
      <para>Dit alles leidt ertoe dat vordering 2 evenmin toewijsbaar is. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als reeds uitgesproken bij vonnis van 9 maart 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2018 in tegenwoordigheid van mr. Van de Kar, griffier.   </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>