<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2016:8311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-03T11:45:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-12-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-12-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 15_8342</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:CRVB:2017:3716" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2017:3716, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2016:8311">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2016:8311</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-01-03T14:06:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-01-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2016:8311 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 01-12-2016 / AWB 15_8342</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2016:8311:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Minister heeft in de nieuwe beslissing op bezwaar het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek hersteld. Het is in beginsel in strijd met de goede procesorde als na een tussenuitspraak nieuwe geschilpunten worden ingebracht. Geen reden om nu van dit uitgangspunt af te wijken. Bestreden besluit heeft betrekking op de aanwijzing van eiser als verplicht van-werk-naar-werk-kandidaat. De beroepsgronden zijn daar niet tegen gericht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2016:8311:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: BRE 15/8342 AW </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 1 december 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser], te Breda, eiser, </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 24 november 2015 (bestreden besluit I) van de minister inzake de aanwijzing als verplicht van-werk-naar-werk-kandidaat. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is op 6 april 2016 op zitting behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 18 mei 2016, bekend onder ECLI:NL:RBZWB:2016:3226, heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak op 26 juni 2016 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit II). Daarbij is het bezwaar van eiser wederom, overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriftprocedure personeel OCW, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft schriftelijk commentaar gegeven op bestreden besluit II. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen </title>
    <para>1. Voor een weergave van de feiten en de beroepsgronden verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. </para>
    <para />
    <para>2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat bestreden besluit I onbevoegd is genomen nu zowel het primaire besluit als bestreden besluit I is ondertekend door “de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, namens deze, de secretaris-generaal, (…)”. Die handelwijze is in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om alsnog bevoegdelijk op het bezwaar te beslissen, dan wel bestreden besluit I voor zijn rekening te nemen. </para>
    <para />
    <para>3. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede betrekking op bestreden besluit II, nu partijen daarbij voldoende belang hebben. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze over het herstel kenbaar te maken en hij heeft verklaard dat het herstel voor hem niet de oplossing is voor het ontstane geschil omdat het primaire besluit niet is gewijzigd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat zij de minister in de tussenuitspraak niet heeft opgedragen om een inhoudelijk ander besluit te nemen. Dat de minister het primaire besluit niet heeft gewijzigd vormt dan ook geen aanleiding het herstel niet deugdelijk te achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat bestreden besluit II bevoegd is genomen en dat de belemmering om het beroep inhoudelijk te beoordelen is weggenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser heeft in zijn zienswijze op de herstelpoging eerder aangevoerde beroepsgronden, in andere bewoordingen, herhaald. Voor zover hij daarbij ook nieuwe beroepsgronden heeft aangevoerd overweegt de rechtbank dat het geding zoals dat na de tussenuitspraak kan worden gevoerd in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die tot dan toe zijn aangevoerd. De rechtbank acht het in beginsel in strijd met de goede procesorde als na de tussenuitspraak nieuwe geschilpunten worden ingebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding van die uitgangspunten af te wijken en zal daarom volstaan met de beoordeling van bestreden besluit II op basis van de in de tussenuitspraak beschreven beroepsgronden. </para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft zich beroepen op artikel 4:6, eerste lid, van de Awb omdat volgens hem sprake is van wijzigingen of nieuwe feiten die van belang zijn. De rechtbank is met de minister van oordeel dat zich niet een situatie voordoet waarop die wetsbepaling van toepassing is. Eiser heeft geen verzoek ingediend om terug te komen op een eerder besluit.</para>
    <para />
    <para>7. Eiser is niet in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het primaire besluit een zienswijze naar voren te brengen. De rechtbank is echter gebleken dat eiser in de bezwaarfase alsnog zijn bedenkingen in de vorm van bezwaren schriftelijk naar voren heeft kunnen brengen en ook mondeling in een op 23 oktober 2015 gehouden hoorzitting, zodat een eventuele schending van artikel 4:8 van de Awb is hersteld.</para>
    <para />
    <para>8. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de minister onvoldoende inspanningen verricht om voor hem een passende functie te vinden of te creëren, dat hem ten onrechte bevordering naar schaal 11 wordt onthouden en dat de functie van collectiebeheerder als formatief moet worden ingevuld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit II betrekking heeft op de aanwijzing als verplicht van-werk-naar-werk-kandidaat en dat deze beroepsgronden daar niet tegen gericht zijn. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd heeft evenmin betrekking op deze aanwijzing. Ze behoeven daarom geen bespreking. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen is het beroep gegrond omdat bestreden besluit I onbevoegd is genomen. De rechtbank zal dat besluit vernietigen. </para>
    <para />
    <para>10. Het beroep zal ongegrond worden verklaard voor zover het is gericht tegen bestreden besluit II.</para>
    <para />
    <para>11. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het griffierecht aan eiser dient te worden vergoed.</para>
    <para />
    <para>12. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen bestreden besluit I gegrond en vernietigt dat besluit; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen bestreden besluit II;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. F.P.J. Schoonen, leden, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>