<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2015:6292</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T15:12:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-09-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-09-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/02/302244 / FT RK 15/1068</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Breda</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2015:6292">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2015:6292</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-09-29T13:47:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-09-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2015:6292 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-09-2015 / C/02/302244 / FT RK 15/1068</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2015:6292:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek toepassing schuldsaneringsregeling. Geen toestand waarin redelijkerwijs is te voorzien dat schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, dan wel verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2015:6292:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Insolventierecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afwijzing toepassing schuldsanering</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>rekestnummer: C/02/302244 / FT RK 15/1068 </para>
      <para>nummer verklaring: CDS1500423955</para>
      <para>datum uitspraak: 23 september 2015</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de heer [naam verzoeker],</para>
      <para>wonende te [straat verzoeker],</para>
      <para>
        [postcode verzoeker],</para>
      <para>verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para>- het verzoekschrift op de griffie ontvangen op 20 juli 2015;</para>
    <para>- het proces-verbaal van de zitting van 16 september 2015;</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek strekt tot toepassing van de wettelijke schuldsanering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 16 september 2015. Daarbij is  verzoeker gehoord. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Uit het verzoekschrift en uit de verklaring van verzoeker ter zitting blijkt dat verzoeker één schuld heeft, namelijk een schuld aan DSB Bank voor een bedrag van              €  37.343,02. Verzoeker heeft verklaard dat deze schuld is ontstaan in 2008 toen hij voor een vriend een bedrag van € 35.000,00 heeft geleend bij DSB Bank. Deze vriend is uiteindelijk met de noorderzon vertrokken zonder terugbetaling van deze lening, aldus verzoeker. Uit het verzoekschrift volgt verder dat verzoeker “een roerige periode achter de rug heeft”, maar thans met begeleiding zijn leven weer goed op de rit heeft gekregen. Ter zitting heeft verzoeker aanvullend verklaard dat hij een fulltime dienstverband heeft waar hij maandelijks ongeveer € 1.300,- netto mee verdient. Ter zake de schuld bij DSB Bank heeft verzoeker opgemerkt een betalingsregeling te hebben getroffen voor een bedrag van € 100,00 per maand. Verzoeker heeft verklaard deze betalingsregeling ook na te komen en dat hij dit bedrag gelet op zijn inkomen en zijn overige (vaste) lasten ook kan voldoen zonder verdere schulden te maken. Wel is het hierdoor allemaal wat “krapjes”. Uit een bij het verzoekschrift overgelegde salarisstrook volgt, tot slot, dat verzoeker een netto inkomen heeft van               € 1393,78.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 284, eerste lid, Faillissementswet (Fw) kan de schuldenaar verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met de betaling van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Artikel 288 lid, eerste lid sub a, Fw bepaalt dat een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat uit de eigen verklaring van verzoeker volgt dat geen sprake is van een toestand waarin verzoeker heeft opgehouden te betalen. Uit de verklaring van verzoeker volgt immers dat hij de overeengekomen betalingsregeling nakomt en ook zijn overige (vaste) lasten voldoet. Verzoeker heeft in dit verband verder naar voren gebracht geen nieuwe schulden te maken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin voldoende aannemelijk is dat verzoeker niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het bij dit criterium gaat om de objectieve voorzienbaarheid van het niet zullen kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en niet om de subjectieve perceptie van verzoeker. De enkele – niet nader onderbouwde – opmerking van verzoeker dat het allemaal wat “krapjes” is en dat hij geen geld overhoudt voor extra dingen is mitsdien onvoldoende voor het aannemen van deze situatie. De rechtbank overweegt dat verzoeker een vaste baan heeft en er door hem geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid dat er binnen afzienbare tijd relevante wijzigingen zullen optreden in zijn inkomsten of uitgaven waardoor het voor hem alsnog onmogelijk zal zijn bedoelde schuld en/of zijn overige (vaste) lasten te betalen. De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat uit het verzoekschrift volgt dat verzoeker volgens de Kredietbank beschikt over een maandelijkse aflossingscapaciteit van € 273,13, hetgeen ruim voldoende moet worden geacht om de getroffen betalingsregeling na te komen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De rechtbank is zich ervan bewust dat verzoeker gelet op de hoogte van de schuld en de hoogte van het aflossingsbedrag nog een aanzienlijke periode zal moeten aflossen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat zich hier niet een situatie voordoet waarin verzoeker tot in lengte van jaren door zijn schulden wordt achtervolgd (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1992/93, 22.969, nr 3, p.6). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de leeftijd van verzoeker en voorts dat verzoeker, zoals hiervoor is overwogen, volgens de Kredietbank beschikt over een aflossingscapaciteit van € 273,13 per maand. Een dergelijke aflossingscapaciteit zou verzoeker naar het oordeel van de rechtbank in staat moeten stellen zijn schuld aan DSB Bank versneld af te lossen, terwijl een dergelijke aflossingscapaciteit verzoeker in ieder geval ook na betaling van het overeengekomen bedrag van € 100,00 per maand en zijn overige (vaste) lasten nog extra financiële ruimte laat. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat zich geen situatie voordoet waarin verzoeker in redelijkheid niet in staat kan worden geacht door te gaan met het aflossen van zijn schuld aan DSB Bank.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De slotsom luidt dan ook dat het verzoek dient te worden afgewezen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- 	wijst het verzoek af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Hopmans, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.<footnote-ref linkend="_78d73261-9bb0-47ea-9c0c-2ff3fcba0357" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_78d73261-9bb0-47ea-9c0c-2ff3fcba0357" label="1">
    <para>Verzoeker/ster heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>