<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2014:774</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:09:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-01-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">2269694 / 13-3811 </psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Prg. 2014/149</rdf:li>
          <rdf:li>OR-Updates.nl 2014-0174</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2014:774">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2014:774</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-18T15:29:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2014:774 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-01-2014 / 2269694 / 13-3811 </dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2014:774:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>procesvertegenwoordiging, maatschap als gemachtigde, handelsnaam ontoereikend, nietige dagvaarding</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De gemachtigde van eiser wordt in de dagvaarding aangeduid met een bedrijfsnaam, waaruit de rechtsvorm niet is af te leiden. Gedaagde concludeert daarom incidenteel tot nietigheid van de dagvaarding. Eiser wordt bij tussenvonnis gevraagd om inlichtingen en een procesvolmacht. </para>
        <para>Eiser deelt mee dat zijn gemachtigde een maatschap is. Gedaagde betwist dat gemotiveerd en concludeert dat eiser nog steeds niet duidelijk heeft gemaakt wie haar gemachtigde is. </para>
        <para>Dat wordt als volgt gehonoreerd. In antwoord op het verweer van gedaagde kon eiser niet ermee volstaan met de mededeling dat haar gemachtigde een maatschap is, maar had aanstonds duidelijk moeten maken wie van de vennoten van die maatschap de zaak behandelt. Dit volgt mede uit het arrest HR 5-11-1976, NJ 1977/586 (Moret Gudde Brinkman). Ook is een handelsnaam ontoereikend als aanduiding van de gemachtigde in de dagvaarding, aangezien onder een handelsnaam meer dan één natuurlijke en/of rechtspersoon schuil kunnen gaan. Eiser krijgt niet opnieuw gelegenheid om duidelijkheid te verschaffen over de identiteit van zijn gemachtigde. Volgt nietigverklaring van de dagvaarding.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2014:774:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <parablock>
      <para>Kanton</para>
      <para>[Zaaknummer] [Rolnummer]</para>
      <para>Zittingsplaats: Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak/rolnr.:  2269694 / 13-3811 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">vonnis van de kantonrechter d.d. 29 januari 2014</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende te[woonplaats], gemeente[gemeente],</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">eisende partij,</emphasis>
      </para>
      <para>verder te noemen:[eiser],</para>
      <para>gemachtigde:[bedrijf], gevestigd te De Meern, gemeente Utrecht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n :</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te[woonplaats 2], gemeente [Gemeente 2], </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">gedaagde partij,</emphasis>
      </para>
      <para>verder te noemen: [gedaagde],</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.W. van Koeveringe, advocaat te Middelburg.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procedure is als volgt verlopen:</para>
    </parablock>
    <para>- dagvaarding van 6 augustus 2013,</para>
    <para>- conclusie van antwoord, houdende een verweer van onjuiste procesvertegenwoordiging,</para>
    <para>- rolbeschikking,</para>
    <para>- akte van[eiser],</para>
    <para>- overlegging procesvolmacht van[eiser],</para>
    <para>- tussenvonnis d.d. 20 november 2013,</para>
    <para>- antwoordakte van [gedaagde].</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>de verdere beoordeling van de zaak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. 	De kantonrechter handhaaft hetgeen is overwogen en beslist bij het tussenvonnis. De inhoud van dat vonnis moet als hier ingelast worden beschouwd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2.[eiser] heeft meegedeeld dat[bedrijf] een maatschap is.[eiser] heeft aangevoerd dat een maatschap weliswaar noch een natuurlijke persoon, noch een rechts-persoon is, maar aangezien een maatschap kan optreden als procespartij, zij eveneens kan optreden als procesgemachtigde.[eiser] heeft daarbij opgemerkt dat een beroepsmaatschap geen verplichting heeft om zich in het handelsregister te laten opnemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3. 	[gedaagde] heeft betwist dat[bedrijf] een maatschap is. Daarbij is gewezen op de algemene voorwaarden van[bedrijf], die onder meer inhouden:</para>
      <para>“ALGEMENE VOORWAARDEN</para>
      <para>voor opdrachten verstrekt aan[bedrijf]</para>
      <para>(welke een handelsnaam is die wordt gebruikt door de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk</para>
      <para>“[persoon] by[bedrijf] Limited”, statutair en feitelijk gevestigd te Cardiff, Verenigd Koninkrijk), ….”</para>
      <para>
        [gedaagde] heeft daarbij opgemerkt dat[bedrijf] een vestiging in Nederland heeft en daarom als buitenlandse rechtspersoon moet zijn ingeschreven in het handelsregister. </para>
      <para>
        [gedaagde] heeft gesteld dat[eiser] nog steeds niet heeft duidelijk gemaakt wie haar gemachtigde is en heeft geconcludeerd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. 	De kantonrechter is van oordeel dat goed gemotiveerd is betwist dat[bedrijf] een maatschap is. Bewijs van[eiser] op dit punt is echter niet nodig omdat[eiser] nog steeds niet duidelijk heeft gemaakt wie er voor haar als gemachtigde optreedt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.	Een maatschap is geen natuurlijke persoon of een rechtspersoon, maar is een overeenkomst in de zin van art. 7A:1655 BW. Slechts wanneer een maatschap onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt, wordt het toegestaan dat in de dagvaarding en de verdere gedingstukken de naam van de maatschap wordt vermeld in plaats van de naam van de afzonderlijke vennoten. Wil de tegenpartij weten wie dan in feite als procespartij optreden, dan heeft zij er aanspraak op dat de maatschap alsnog de namen en de woonplaatsen van de vennoten meedeelt. Zie HR 5 november 1976, NJ 1977/586 (Moret Gudde Brinkman). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3.	In dit geval is in de dagvaarding niet vermeld dat[bedrijf] een maatschap is. [gedaagde] heeft er een afzonderlijk verweer van gemaakt dat het in het geheel niet duidelijk is wie nu daadwerkelijk de gemachtigde is. In antwoord daarop had[eiser] niet mogen volstaan met de mededeling dat[bedrijf] een maatschap is, maar had aanstonds moeten duidelijk maken wie van de vennoten van die maatschap de zaak voor[eiser] behandelt. Dit volgt mede uit het voormelde arrest van 5 november 1976.[eiser] heeft de verwarring over de identiteit van haar gemachtigde laten voortbestaan door niet aanstonds daarover volledige informatie te verschaffen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4.	Het exploit van dagvaarding bevat niet ondubbelzinnig de naam van de gemachtigde van[eiser], omdat niet is vermeld dat[bedrijf] een maatschap is. Wie het exploit van dagvaarding leest kan ook denken dat een handelsnaam van de gemachtigde is gebruikt. Volgens [gedaagde] is dat hier het geval. Ook een handelsnaam is ontoereikend als aanduiding van de gemachtigde in het exploit van dagvaarding, aangezien onder een handelsnaam meer dan één natuurlijke en/of rechtspersonen schuil kunnen gaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5.	Het voormelde gebrek in het exploit van dagvaarding wordt met nietigheid bedreigd (art. 120, lid 1, Rv.). [gedaagde] zou door dit gebrek niet onredelijk in zijn belangen zijn geschaad, wanneer[eiser] aanstonds volledig duidelijk zou hebben gemaakt wie voor haar als gemachtigde optreedt. Maar[eiser] heeft de verwarring over de identiteit van haar gemach-tigde laten voortbestaan door niet aanstonds daarover volledige informatie te verschaffen. Het is voorts van belang dat over kwesties als deze voortvarend geprocedeerd wordt. Daarom zal[eiser] niet opnieuw gelegenheid krijgen om duidelijkheid te verschaffen over de identiteit van haar gemachtigde en wordt evenmin toepassing gegeven aan art. 122, lid 2, Rv. Omdat de onduidelijkheid over de identiteit van de gemachtigde van[eiser] is blijven bestaan, wordt [gedaagde] onredelijk in haar verdediging benadeeld. Zij heeft er recht op te weten wie precies de gemachtigde van haar wederpartij is en niet aanvaardbaar is dat zij nog verdere proceskosten voor deze kwestie zou moeten maken. Daarom zal de dagvaarding nietig worden verklaard met veroordeling van[eiser] in de proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>de beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de dagvaarding nietig;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt[eiser] in de kosten van het geding, welke aan de zijde van [gedaagde] tot op heden worden begroot op[bedrag] wegens salaris van de gemachtigde van [gedaagde];</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter open-bare terechtzitting van 29 januari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>