<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2014:4014</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-10T16:12:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-06-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/12/81834 / FA RK 11-1639 </psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2014-0129</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2014:4014">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2014:4014</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-04T14:26:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2014:4014 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-06-2014 / C/12/81834 / FA RK 11-1639 </dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2014:4014:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Afwikkeling van huwelijkse voorwaarden, die een huwelijksgoederen-gemeenschap inhouden met daarnaast een vergoedingsrecht voor verschoven vermogen.</para>
        <para>De woning, voor huwelijk in eigendom van de man, had bij aangaan van het huwelijk en bij de scheiding een overwaarde. De woning wordt aan de man toegedeeld, de bij de verdeling aan de vrouw toekomende helft van de overwaarde (en niet die van de overwaarde bij het aangaan van het huwelijk) is een vermogensverschuiving, die door de vrouw aan de man moet worden vergoed.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2014:4014:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Civiel recht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats: Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak/reknr: C/12/81834 / FA RK 11-1639 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking d.d. 11 juni 2014</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>, (hierna: de man),</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>advocaat: mr. K.T.J.M. Pijls-olde Scheper te Roosendaal,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerster]
        </emphasis>, (hierna: de vrouw),</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>advocaat: mr. D.A.H. Veldhof te Goes.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para> 	De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:</para>
      <para>- de beschikking d.d. 31 oktober 2012 van de rechtbank Middelburg;</para>
      <para>- de (herstel)beschikking d.d. 14  november 2012 van de rechtbank Middelburg;</para>
      <para>- het taxatierapport d.d. 17 januari 2013 van na te noemen deskundige;</para>
      <para>- het telefaxbericht d.d. 8 maart 2013 van mr. Pijls-olde Scheper;</para>
      <para>- de brief d.d. 27 mei 2013 van mr. Pijls-olde Scheper met produkties;</para>
      <para>- het telefaxbericht d.d. 11 juni 2013 van mr. Veldhof;</para>
      <para>- de brief d.d. 18 juli 2013 met produktie van mr. Pijls-olde Scheper;</para>
      <para>- de brief d.d. 26 juli 2013 met produkties van mr. Veldhof. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para> 	De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 21 januari 2014. Verschenen </para>
        <para>zijn partijen, bijgestaan door hun advocaat.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De echtscheiding tussen partijen, uitgesproken bij voornoemde beschikking d.d. 8 februari 2012, is op 21 februari 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De verdere beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Aan de orde is de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen. In het kader van deze afrekening komt de vrouw –bij het schrijven van haar advocaat van 11 juni 2013- tot de slotconclusie dat de man aan haar per saldo dient te voldoen een bedrag van </para>
        <para>€ 114.475,18 te vermeerderen met de wettelijke rente per 28 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. De man verzoekt de rechtbank –bij het schrijven van zijn advocaat d.d. 18 juli 2013- onder vermeerdering van zijn verzoek met betrekking tot verrekening van zijn vergoedingsrecht ter zake van de echtelijke woning, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw ter zake te veroordelen tot betaling van:</para>
        <para>primair: een bedrag van € 62.034,50, aan hem te voldoen binnen veertien dagen na de in deze te wijzen beschikking;</para>
        <para>subsidiair: een bedrag van € 22.034,50, aan hem te voldoen binnen veertien dagen na de in deze te wijzen beschikking.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van het verzoek van belang, hierna ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij beschikking d.d. 31 oktober 2012 van de rechtbank Middelburg is vastgesteld  dat partijen op grond van de door hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd in gemeenschap van goederen, waarvan alleen uitgesloten de door elk van hen geëxploiteerde bedrijven en dat zij vanuit dat uitgangspunt dienen af te rekenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">peildatum </emphasis>
        </para>
        <para>Partijen zijn het erover eens dat op basis van de akte van huwelijkse voorwaarden geldt als peildatum voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden 31 december 2010. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">voormalig echtelijke woning, hypothecaire geldlening en vergoedingsrecht ex artikel 5 huwelijksvoorwaarden, alsmede ex artikel 1:95 BW </emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>3.5.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Bij voornoemde beschikking d.d. 31 oktober 2012, hersteld bij beschikking van 14 november 2012, is de heer A.W.J. Verschuure (werkzaam bij Sinke Komejan Makelaars en Taxateurs), tot deskundige benoemd en is hem verzocht de volgende vraag schriftelijk en gemotiveerd te beantwoorden:</para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Wat was op respectievelijk 8 juni 2007 en op 31 december 2010 de onderhandse verkoopwaarde van de woning, gelegen te 4416 DP Kruiningen, gemeente Reimerswaal aan de Röntgenstraat 27?” </emphasis>
          </para>
          <para>Uit het taxatierapport d.d. 17 januari 2013 van de deskundige blijkt een marktwaarde van de woning per 8 juni 2007 van  € 325.000,-- en een marktwaarde per 31 december 2010 van</para>
          <para>€ 300.000,--.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De man heeft aangegeven dat, nu de rechtbank in haar beschikking d.d. 31 oktober 2012 heeft vastgesteld dat afgewikkeld moet worden als ware er een wettelijke gemeenschap van goederen, volgens vaste jurisprudentie, de datum van feitelijke verdeling, dat wil zeggen  de datum van deze beschikking, als peildatum geldt. Dit geldt volgens hem temeer nu de woningprijzen al jaren dalen. Bij brief van 27 mei 2013 van mr. Pijls-olde Scheper stelt hij de waarde van de woning op dat moment op € 280.000,00, uitgaande van een gemiddelde waardedaling van de woning van 3,6% per jaar. Ter zitting heeft hij aangegeven dat, als een nieuwe taxatie dient te worden uitgevoerd, dat dan maar moet gebeuren. </para>
          <para>De man stelt het volgende. Hij was voor het huwelijk alleen eigenaar van de woning. De woning is per 8 juni 2007 (de datum van huwelijkssluiting) getaxeerd op € 325.000,--. De hypothecaire lening bedroeg op dat moment € 245.000,--, gelijk aan het bedrag dat de hypotheek bij aankoop van de woning bedroeg. Nu moet worden uitgegaan van een gemeenschap van goederen, heeft de man op grond van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden danwel artikel 1:95 lid 2 BW, recht op vergoeding van het door hem ingebrachte bedrag; primair € 80.000,-- (waarde woning bij huwelijkssluiting van </para>
          <para>€ 325.000,-- minus hypothecaire lening € 245.000,--). Subsidiair stelt hij recht te hebben op een vergoeding van € 40.000,--. </para>
          <para>Uitgaande van de overwaarde bij een verkoopwaarde van € 300.000,00 op 31 december 2010, is de man primair van mening dat de vrouw aan hem dient te voldoen ter zake van de vergoedingsrechten met betrekking tot de voormalige echtelijke woning een bedrag van </para>
          <para>€ 52.500,--. Subsidiair dient de vrouw aan hem te voldoen: € 12.500,--.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.3.</nr>
        <parablock>
          <para>De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man, op basis van de huwelijkse voorwaarden de helft van de overwaarde van de woning op de peildatum aan de vrouw dient te voldoen. Uitgegaan dient te worden van de waarde van de woning per 31 december 2010 van € 300.000,--, zoals door de deskundige getaxeerd. Nu het gaat om de afrekening via de huwelijkse voorwaarden is deze datum redelijk; partijen zijn reeds lange tijd uit elkaar en banktegoeden etc. worden ook per peildatum 31 december 2010 verrekend. De man dient dan aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 300.000 minus de waarde van de hypotheek van € 245.000, gedeeld door 2, is € 27.500,--, onder de verplichting voor de man om ervoor zorg te dragen dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen. Als de waarde per heden wordt genomen, dient de woning opnieuw te worden getaxeerd. </para>
          <para>De redenering van de man dat vermogen van hem bij de vrouw is, is onjuist. Het betreft een gemeenschappelijke woning, de vrouw heeft derhalve in de waardedaling moeten meedelen. Er heeft geen vermogensverschuiving plaatsgevonden. De woning was van de man en is nog steeds van de man. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.4.</nr>
        <parablock>
          <para>De tussen partijen gegolden hebbende huwelijksgoederengemeenschap is ontstaan doordat zij die bij huwelijksvoorwaarden zijn overeengekomen. Er wordt thans tussen partijen afgerekend overeenkomstig die huwelijkse voorwaarden; ook voor de peildatum van de woning dient te worden aangesloten bij de huwelijkse voorwaarden. Daarbij zijn partijen destijds (op voorhand) een peildatum overeengekomen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de vrouw in dit kader recht heeft op de helft van de overwaarde van de woning per peildatum 31 december 2010. Daaruit volgt dat wordt uitgegaan van de marktwaarde per 31 december 2010 van € 300.000,-- zoals volgt uit het deskundigenrapport van de heer Verschuure nu partijen met het deskundigenrapport hebben ingestemd. Partijen zijn het voorts eens over de waarde van de hypotheek van € 245.000,--. In dit kader dient de man in beginsel aan de vrouw te voldoen € 300.000,-- minus € 245.000,-- = € 55.000,--: 2 = </para>
          <para>€ 27.500,--.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.5.</nr>
        <para>De woning dient aan de man te worden toegedeeld. Vaststaat dat de hypothecaire lening tijdens het huwelijk van partijen op naam van beide partijen is gesteld. Gelet op het vorenoverwogene ten aanzien van de woning zal worden bepaald dat de man de hypothecaire lening voor zijn rekening dient te nemen en dat hij ervoor zorg draagt dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.5.6.</nr>
        <parablock>
          <para>Ten aanzien van het vergoedingsrecht waar de man zich op beroept, heeft het volgende te gelden. Artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden van partijen luidt als volgt: </para>
          <para>“Een echtgenoot heeft een vergoedingsrecht jegens de andere echtgenoot, indien een bedrag of waarde ten behoeve van die andere echtgenoot aan zijn vermogen is onttrokken. De vergoeding is gelijk aan het bedrag of de waarde ten tijde van de onttrekking en is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen die opeisbaarheid verzetten.”</para>
          <para>Daarop gelet, geldt de vergoeding alleen in het geval dat een vermogensbestanddeel van de ene echtgenoot naar de andere echtgenoot verschuift. Partijen hebben in artikel 1 onder 1. van hun huwelijkse voorwaarden vastgelegd dat tussen partijen de wettelijke gemeenschap van goederen bestaat waartoe onder andere de echtelijke woning behoort. Vòòr het huwelijk behoorde die woning –met een overwaarde van € 80.000,--, dat is onbetwist- aan de man in eigendom toe. Hij heeft, door de woning en hypotheek in de gemeenschap te laten opnemen, derhalve € 80.000,-- in de gemeenschap doen vloeien. Hij bleef daarvan evenwel –samen met de vrouw- eigenaar. In die zin is er geen vermogen vanuit zijn vermogen naar dat van de vrouw gevloeid. Dat vindt pas bij de verdeling plaats en die verdeling dient naar de waarde van de peildatum plaats te vinden. Gelet op hetgeen onder 3.5.4. is overwogen vloeit bij de verdeling een deel van het vermogen van de man naar de vrouw, namelijk € 27.500,-- (de helft van de overwaarde op de peildatum). Voor dat deel van het vermogen heeft de man een vergoedingsrecht jegens de vrouw van € 27.500,--. Per saldo zal de woning en de hypotheekschuld aan de man toekomen, zonder dat hij enig bedrag aan de vrouw behoeft te betalen.  </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">vervoermiddelen</emphasis>
        </para>
        <para>Nu partijen ter zitting geen overeenstemming hebben bereikt omtrent de waardes van de vervoermiddelen van partijen, zijnde de Volkswagen Golf 4 Cabrio, de motor Honda CBR 600 en Triumph Tiger, zal de rechtbank daaromtrent thans een beslissing nemen. </para>
        <para>Nu beide partijen hun standpunten daaromtrent niet met nadere stukken hebben onderbouwd, zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde van de door partijen in de overgelegde stukken genoemde waardes. Dit leidt tot het volgende: </para>
        <para>Volkswagen Golf 4 Cabrio: de man stelt een waarde van € 5.900,-- en de vrouw een waarde van € 3.500,--, zodat de rechtbank uitgaat van een gemiddelde waarde van € 4.700,--;</para>
        <para>Motor Honda CBR 600: de man stelt een waarde van € 3.000,-- en de vrouw een waarde van € 2.750,--, zodat de rechtbank uitgaat van een gemiddelde waarde van € 2.875,--;</para>
        <para>Motor Triumph Tiger: de man stelt een waarde van € 3.000,-- en de vrouw een waarde van </para>
        <para>€ 4.250,--, zodat de rechtbank uitgaat van een gemiddelde waarde van € 3.625,--.</para>
        <para>Partijen zijn het erover eens dat de Volkswagen Golf 4 Cabrio feitelijk is verdeeld, deze heeft de vrouw meegenomen bij het uiteengaan van partijen en voorts dat de Honda CBR 600 aan de vrouw toebehoort en de motor Triumph Tiger aan de man. Gelet op het verzoek daartoe van partijen zal de rechtbank de Honda CBR 600 aan de vrouw toedelen en de Triumph Tiger aan de man. Daarvan uitgaande dient in het kader van verrekening de vrouw aan de man te voldoen: € 1.975,--.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">inboedel</emphasis>
        </para>
        <para>Ter zitting hebben partijen de inboedel verdeeld. Afgesproken is dat de verdeling voor partijen voldoende was afgesproken en dat daarover van de rechtbank geen beslissing meer nodig was. De rechtbank beschouwt het verzoek op dit punt als afgedaan en zal daarover geen beslissing nemen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">bankrekeningen</emphasis>
        </para>
        <para>Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek strekkende tot toedeling van de vordering [naam] en[naam] ten bedrage van € 20.000,00 aan de man onder de verplichting dat hij ter verrekening de helft van deze vordering, derhalve € 10.000,-- aan haar dient te voldoen ingetrokken. Dit verzoek behoeft derhalve geen beoordeling en beslissing meer.</para>
        <para>Partijen zijn het erover eens dat de gemeenschappelijke rekeningen reeds zijn opgeheven, saldi zijn verdeeld en daaromtrent geen verrekening meer plaats behoeft te vinden. Voorts gaan zij voor wat betreft de volgende bankrekeningen uit van de navolgende saldi op 31 december 2010:</para>
      </parablock>
      <para>- rekening [rekeningnummer] bij de Rabobank op naam van de vrouw met saldo € 751,00;</para>
      <para>- rekening [rekeningnummer] bij de Rabobank op naam van de vrouw met saldo € 8.000,00;</para>
      <para>- rekening [rekeningnummer] bij de Rabobank op naam van de man met saldo € 194,00.</para>
      <para>Partijen zijn het er over eens dat voornoemde bankrekeningen worden toegedeeld aan degene op wiens naam deze staan, zodat aldus zal worden beslist. In het kader van de verrekening dient de vrouw een bedrag van € 4.278,50 aan de man te voldoen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">polissen</emphasis>
        </para>
        <para>Partijen zijn het eens over de polissen. Er zijn twee polissen op naam van de man: één bij Interpolis met nummer [rekeningnummer] met een waarde van € 45,00 en één bij Reaal met nummer[rekeningnummer] met een waarde van € 8.542,00. Ten aanzien van de polis bij Reaal dient  de man rekening houdend met een latente belastingclaim van 52%, aan de vrouw te voldoen € 2.050,--. Op naam van de vrouw staan twee polissen, te weten de polis ASR met een fiscale waarde per 31 december 2010 van € 13.231,00 en een polis Zwitserleven met een economische waarde per 31 december 2010 van € 5.538,00. Partijen zijn het erover eens dat de polissen op naam van de man aan hem worden toegedeeld en de polissen op naam van de vrouw aan de vrouw worden toegedeeld, aldus zal worden beslist. Uit hoofde van verrekening dient de vrouw, daarbij ten aanzien van de ASR polis rekening houdend met een latente belastingclaim van 52%, de helft van de saldi te voldoen, zijnde een bedrag van </para>
        <para>€ 4.356,72. Per saldo dient de vrouw aan de man te betalen € 2.306,00.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">inboedel en inventaris kapsalon</emphasis>
        </para>
        <para>Ter zitting hebben partijen de inboedel en inventaris van de kapsalon verdeeld. Afgesproken is dat de verdeling voor partijen voldoende was afgesproken en dat daarover van de rechtbank geen beslissing meer nodig was. De rechtbank beschouwt het verzoek op dit punt als afgedaan en zal daarover geen beslissing nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">ondernemingen</emphasis>
        </para>
        <para>Zoals reeds bij beschikking d.d. 31 oktober 2012 is bepaald, zijn de door elk van partijen  geëxploiteerde bedrijven van verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden  uitgesloten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">premiedepot op naam van de man bij de Rabobank met nummer [rekeningnummer] en rekening [rekeningnummer] (Rabo opbouw spaarrekening), alsmede de Interpolis Opmaatverzekering</emphasis>
        </para>
        <para>In geschil tussen partijen is of het premiedepot tussen partijen al dan niet verdeeld dient te worden. </para>
        <para>De vrouw stelt zich op het standpunt dat de Rabobank opbouw spaarrekening [rekeningnummer] tussen partijen bij helfte dient te worden gedeeld en dat de man nu aan hem het depot dient te worden toegedeeld, aan haar de helft, derhalve € 18.634,08 dient te voldoen. Zij voert daartoe aan dat het destijds uitdrukkelijk de bedoeling van partijen geweest dat deze rekening gemeenschappelijk zou zijn. De man voert daartegen verweer. Hij stelt zich op het standpunt dat het premiedepot en de Rabobank opbouw spaarrekening niet tot de gemeenschap behoren nu dit depot is gevuld met een schenking onder uitsluitingsclausule van zijn ouders. Hij stelt dat door een fout van de Rabobank de aan de hypotheek gekoppelde Rabobank opbouw spaarrekening met nummer [rekeningnummer] op naam van beide partijen is gesteld.</para>
        <para>De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de man een schenking van zijn ouders heeft ontvangen, welke onder uitsluitingsclausule is gegeven. Voorts staat op grond van de stukken het volgende vast. Deze schenking betrof een de storting op 28  juni 2002 van € 39.375,00 op het premiedepot. Het premiedepot is vervolgens gebruikt om de overlijdensrisico premie en de premie gekoppeld aan de verzekering bij Interpolis te voldoen. De totale waarde van voornoemde verzekering bij Interpolis bedroeg per 1 december 2010 </para>
        <para>€ 37.268,16. Deze polis is op 4 maart 2011 beëindigd en de afkoopwaarde is toen (derhalve: na de peildatum) overgemaakt naar de Rabobank opbouw spaarrekening, waarvan de tenaamstelling gemeenschappelijk is. </para>
        <para>Vaststaat dat het bedrag op de Rabobank opbouw spaarrekening afkomstig is van het bedrag dat de man van zijn ouders geschonken heeft gekregen. Gelet op artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden van partijen zijn van de gemeenschap uitgezonderd onder andere de goederen die een echtgenoot tijdens het huwelijk krachtens erfrecht of schenking verkrijgt alsmede de op die verkrijging drukkende schulden en de wegens die verkrijging geheven belastingen als succesierecht, schenkings- en overgangsrecht, zodat de schenking niet tot de gemeenschap behoort. Gelet op de standpunten ter zitting kan worden vastgesteld dat het niet de bedoeling van beide partijen is geweest om de schenking gemeenschappelijk te maken. Ter zitting heeft de man verklaard dat het bedrag was belegd, niets opleverde en omgezet moest worden. Op voorstel van de Rabobank is het bedrag naar de spaarrekening gegaan, waarbij hij op verzoek van de bank de vrouw heeft laten meetekenen. De vrouw heeft verklaard niet bij die gesprekken te zijn geweest en dat haar werd verteld dat zij, in verband met de hypotheek ook moest ondertekenen. De rechtbank stelt vast dat de schenking niet in de gemeenschap is gevallen en voor verdeling als door de vrouw verzocht derhalve geen plaats is. De omstandigheid dat de rekening mede op naam van de vrouw staat, maakt het vorenstaande niet anders nu deze omstandigheid niet maatgevend is voor het antwoord op de vraag of het saldo van de rekening al dan niet gemeenschappelijk is. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">vergoedingsrecht vrouw</emphasis>
        </para>
        <para>De vrouw verzoekt te bepalen dat de gemeenschap aan haar het bedrag van € 40.849,88 restitueert, te vermeerderen met de wettelijke rente. Zij stelt hiertoe dat haar vader, [naam vader]</para>
        <para>, in februari 1999 een bedrag van fl. 40.000,-- (€ 18.151,20) en in mei 2003 een bedrag van € 22.700,00 heeft geschonken, welke bedragen haar in privé zijn toegekomen en welke zij heeft aangewend ten behoeve van de gemeenschap van goederen van partijen. Zij stelt dat met het geld het hele huis is verbouwd en de hypotheekrente is betaald. Zij biedt uitdrukkelijk aan te bewijzen al hetgeen zij omtrent de schenkingen heeft gesteld.</para>
        <para>De man erkent dat de vader van de vrouw fl. 40.000,-- aan de vrouw heeft geschonken en dat deze schenking vòòr het huwelijk heeft plaatsgevonden en aan de vrouw toebehoort. De vrouw heeft echter niet aangetoond wat met deze schenking is gebeurd. De door de vrouw gestelde schenking in 2003 is geen schenking maar een lening geweest. De vrouw heeft dit bedrag vrijwel volledig besteed aan de aankoop van een auto, zodat dit bedrag niet in de gemeenschap terecht is gekomen. Hij vraagt dit verzoek van de vrouw af te wijzen.</para>
        <para>De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw baseert haar verzoek op schenkingen, uit februari 1999 en mei 2003, dat wil zeggen van ver vòòr het huwelijk. Los van de vraag of de door de vrouw gestelde schenkingen vòòr het huwelijk zijn besteed aan de woning van partijen zoals de vrouw beweert, heeft te gelden dat de gemeenschap, als bedoeld, pas is ontstaan bij aanvang van het huwelijk van partijen, derhalve op 8 juni 2007. Nu de vrouw zelf heeft verklaard dat toen partijen huwden niets meer van de bedragen over was, terwijl evenmin is gesteld welke goederen er op dat moment en thans bij de verdeling nog bestonden  c.q. bestaan, die als vervanging van één van die bedragen kunnen worden gezien, dient alleen al om die reden dit verzoek van de vrouw te worden afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">kapsalon</emphasis>
        </para>
        <para>De vrouw stelt een vordering van € 146.000,00 te hebben op de bij de huwelijksvoorwaarden van partijen in het leven geroepen wettelijke gemeenschap van goederen, zodat de man per saldo aan haar dient te voldoen een bedrag van € 73.000,00. Zij stelt daartoe dat zij bij de woning een kapsalon heeft gebouwd en daaraan € 146.000,00 heeft uitgegeven, waarvan zij € 67.500,00 heeft geleend van haar vader. Het bijgebouwde gedeelte is bij de woning als berging in gebruik en komt in eigendom van de man. De vrouw stelt dat zij bewijs van de investeringen aan het verzamelen is en biedt aan alle informatie in het geding te brengen. Zij heeft daartoe bankafschriften opgevraagd bij de bank.</para>
        <para>De man voert verweer. Hij voert het volgende aan. Het is voor hem onduidelijk op welke rechtsgrond deze vordering is gebaseerd. Voorts is de precieze hoogte van de vordering onduidelijk. De vrouw onderbouwt het bedrag dat de bouw heeft gekost, alsmede het bedrag dat zij van haar vader heeft geleend niet. Los daarvan heeft de vrouw geen vordering nu de ondernemingen van partijen buiten de gemeenschap vallen. Voorts voert hij aan dat hij destijds de aanbouw heeft gefinancierd met geld van zijn vader. </para>
        <para>De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij een vergoedingsrecht heeft omdat zij in de woning heeft geïnvesteerd. Weliswaar blijkt uit de door de vrouw overgelegde stukken dat geld van de ouders van de vrouw via de rekening van de vrouw naar de rekening van de kapsalon is gegaan, maar uit de stukken volgt niet dat dit geld aan de bouw van een kapsalon is besteed. De door de vrouw genoemde geldstromen en het daarbij genoemde bedrag zijn niet onderbouwd. Nu ook geen begin van onderbouwing is gegeven, wordt het bewijsaanbod van de vrouw gepasseerd. Het door de vrouw verzochte zal derhalve worden afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen zijn het erover eens dat de pensioenen dienen te worden verevend. </para>
        <para>Nu hieromtrent geen verzoek is ingediend, dient de rechtbank hierover geen nadere beslissing te nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">resumerend</emphasis>
      </para>
      <paragroup>
        <nr>3.16.1.</nr>
        <para>Gelet op het vorenstaande wordt aan de man toegedeeld:</para>
        <para>- de voormalig echtelijke woning;</para>
        <para>- de motor Triumph Tiger;</para>
        <para>- de rekening [rekeningnummer] bij de Rabobank;</para>
        <para>- de polis bij Interpolis met nummer [rekeningnummer];</para>
        <para>- de polis bij Reaal met nummer [rekeningnummer].</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.16.2.</nr>
        <para>Voornoemde toedeling geschiedt onder der verplichting van de man om voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen de hypothecaire geldlening alsmede dat de man er voor zorgdraagt dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.16.3.</nr>
        <para>Aan de vrouw wordt toegedeeld:</para>
        <para>- de motor Honda CBR 600;</para>
        <para>- rekening [rekeningnummer] bij de Rabobank;</para>
        <para>- rekening [rekeningnummer] bij de Rabobank; </para>
        <para>- de polis ASR;</para>
        <para>- de polis Zwitserleven.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.16.4.</nr>
        <para>Gelet op al het vorenstaande dient de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de man te betalen € 8.559,50. </para>
        <para />
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.17.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">kosten deskundige</emphasis>
        </para>
        <para>Bij beschikking van 31 oktober 2012 heeft de rechtbank bepaald dat, in afwachting van een eindbeslissing over de proceskosten, partijen het door de rechtbank nader, op basis van de door de deskundige aan de rechtbank opgegeven begrotingen, te bepalen voorschot door ieder der partijen, ieder voor de helft wordt voldaan. De rechtbank zal bepalen dat ieder van partijen de helft van de aan het deskundigenonderzoek verbonden kosten dient te dragen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.18.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">proceskosten</emphasis>
        </para>
        <para>Gelet op de aard van de procedure, zal de rechtbank ook voor het overige bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt de verdeling van de tussen partijen krachtens de huwelijkse voorwaarden gegolden huwelijksgoederengemeenschap op de wijze zoals weergegeven onder 3.16;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tot betaling aan de man van een bedrag van € 8.559,50; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat ieder van partijen de helft van de aan het onderzoek van de deskundige verbonden kosten draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt voor het overige dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af hetgeen meer of anders is verzocht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C. Krijger-de Keuning op 11 juni 2014.</para>
      <para>ak </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorzover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat. Voor verzoeker en de verschenen belanghebbenden moet hoger beroep worden ingesteld binnen <emphasis role="bold">drie maanden</emphasis> na de dagtekening van deze eindbeschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van <emphasis role="bold">drie maanden</emphasis> na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>
      <?linebreak?>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>