<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2013:8647</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T14:49:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-11-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB-13_3891</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#versneldeBehandeling">Versnelde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:temporal rdfs:label="Periode">
        <start rdfs:label="van">2008</start>
        <end rdfs:label="tot">2008</end>
      </dcterms:temporal>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0026450&amp;g=2013-12-09">Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2013/2769</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2014/6.18.8</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2013-3054</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2013121004</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2013:8647">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2013:8647</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-12-09T10:34:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2013:8647 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-11-2013 / AWB-13_3891</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2013:8647:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Niet tijdig beslissen/dwangsom</para>
        <para>Belanghebbende heeft schriftelijk aangegeven onder voorwaarden akkoord te gaan met verlenging van de beslistermijn op bezwaar.</para>
        <para>Geen blijk van instemming van de inspecteur. Door vormverzuimen van de inspecteur overschrijding van de termijn voor uitspraak op bezwaar en is hij terecht in gebreke gesteld en heeft een dwangsom verbeurd.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2013:8647:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para>Belastingrecht, enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie: Breda</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Procedurenummer AWB 13/3891 en AWB 13/3892</para>
      <para>uitspraak van 21 november 2013</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [belanghebbende]
        </emphasis>, wonende te [woonplaats],</para>
      <para>belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst</emphasis>,</para>
      <para>de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Ontstaan en loop van het geding. </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 16 december 2011 de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2008 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2008 opgelegd (hierna: de aanslagen). Destijds liep nog een boekenonderzoek bij belanghebbende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Belanghebbendes toenmalige gemachtigde [gemachtigde 1] (hierna: [gemachtigde 1]) heeft tegen de aanslagen proforma bezwaarschriften ingediend die bij de inspecteur op 5 januari 2012 zijn binnengekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>
        [gemachtigde 1] heeft bij brief van 14 februari 2012 te kennen gegeven akkoord te gaan met uitstel voor het doen van uitspraak op bezwaar binnen een termijn van vier weken "<emphasis role="italic">nadat alle besprekingen over de geschilpunten definitief zijn afgerond en nadat de standpunten van partijen definitief zijn geworden.</emphasis>".</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Belanghebbendes nieuwe gemachtigde [gemachtigde 2], verder: de gemachtigde) vermeldt in zijn brief van 29 oktober 2012, ontvangen door de inspecteur op 9 november 2012, voor zover hier van belang, het volgende:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Door belanghebbende is bezwaar gemaakt tegen de aanslagen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De aanslagen zijn opgelegd naar aanleiding van een concept-boekenonderzoek.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Belanghebbende heeft gereageerd op het concept-boekenonderzoek.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Belanghebbende heeft gereageerd op uw nadere vragen, zoals geformuleerd in uw brief van 4 april 2012.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Belanghebbende wil vooruit met de behandeling van het bezwaar.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Belanghebbende verzoekt u de wettelijke termijnen voor de behandeling van het bezwaar in acht te nemen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zover u dat niet doet maakt belanghebbende reeds nu, voor alsdan, aanspraak op de door u te verbeuren dwangsommen.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Belanghebbende wil worden gehoord.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij brief van de gemachtigde van 26 februari 2013, ontvangen door de inspecteur op 27 februari 2013, worden de bezwaren aangevuld. Daarin is tevens, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Op 29 oktober jl. heb ik u verzocht de wettelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar in acht te nemen waarbij aanspraak is gemaakt op door u te verbeuren dwangsommen. Op die brief hebt u niet gereageerd.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">De termijn voor de uitspraak op bezwaar is verstreken op 23 februari 2012.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik stel u hierbij in gebreke omdat u niet tijdig op het bezwaar hebt beslist.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik verzoek u binnen twee na ontvangst van deze brief te beslissen op het bezwaar.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Als u niet binnen deze termijn beslist, ben u belanghebbende opnieuw een dwangsom verschuldigd.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De gemachtigde komt namens belanghebbende, bij brief van 16 juli 2013, binnengekomen bij de rechtbank op 18 juli 2013, in beroep. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Motivering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In geschil is, voor zover hier van belang, of de inspecteur een dwangsom heeft verbeurd omdat nog geen uitspraak op bezwaar is gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 6:12, eerste lid van de Awb kan beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Op grond van artikel 6:12, tweede lid van de Awb kan dit beroep worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is en er twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. </para>
        <para>	Artikel 7:10, van de Awb bepaalt dat uitspraak op bezwaar moet worden gedaan binnen 6 weken gerekend van de dag waarop de bezwaartermijn is verstreken (lid 1). Deze termijn wordt opgeschort vanaf de dag dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld eventuele verzuimen te herstellen totdat het verzuim is hersteld of de termijn voor het herstellen ongebruikt is verstreken (lid 2). Het doen van uitspraak kan oor ten hoogste 6 weken kan worden verdaagd (lid 3). Verder uitstel is mogelijk als belanghebbenden daarmee instemmen (lid 4). Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan schriftelijk mededeling moet doen aan belanghebbenden als sprake is van toepassing van het tweede, het derde en het vierde lid.</para>
        <para>	Ingevolge van artikel 4:17, lid 1 van de Awb verbeurt de inspecteur een dwangsom voor elke dag dat hij in gebreke is. Lid 3 van dat artikel bepaalt dat de eerste dag waarover een dwangsom is verschuldigd, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar op 23 februari 2012 is verlopen. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. </para>
        <para>Artikel 7:10 van de Awb geeft de inspecteur de mogelijkheid onder genoemde voorwaarden de uitspraak op bezwaar uit te stellen. Tevens stelt het artikel de eis dat de inspecteur de toepassing van die mogelijkheden schriftelijk aan belanghebbende meedeelt. Op deze wijze heeft belanghebbende zekerheid dat er uitspraak op bezwaar wordt gedaan en wanneer dit gebeurt. De mededeling van [gemachtigde 1] dat hij kan leven met een uitstel voor het doen van uitspraak op bezwaar is gedaan onder de daarbij genoemde voorwaarden. Onduidelijk is of de inspecteur die voorwaarden heeft geaccepteerd, een schriftelijke reactie van de inspecteur ontbreekt immers. Van een overeengekomen uitstel zoals de inspecteur stelt kan derhalve geen sprake zijn. Nu de inspecteur in het ongewisse heeft gelaten of hij het uitstel voor het doen van de uitspraak op bezwaar heeft willen toepassen is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende erop kon rekenen dat de inspecteur dat niet zou doen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Vaststaat dat op het moment van de ingebrekestelling (29 oktober 2012) meer dan zes weken na de bezwaartermijn (23 februari 2012) zijn verlopen en dat de inspecteur geen uitspraak heeft gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De inspecteur is te laat met het doen van uitspraak en heeft daarmee een dwangsom verbeurd. Gelet op de omstandigheid dat mede na het schrijven van de gemachtigde van 29 oktober 2012 meer dan 42 dagen zijn verlopen die aan de inspecteur kunnen worden toegerekend bedraagt de dwangsom het maximum van € 1.260. Het beroep betreffende het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslagen is daarom kennelijk gegrond.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de rechtbank, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekend gemaakt, bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend maakt. De rechtbank zal dan ook nog niet beslissen over het inhoudelijke beroep zoals belanghebbende heeft verzocht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat de inspecteur een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 109,25 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van zeer gering gewicht is, nu het geding slechts betrekking heeft op de vraag of de beslistermijn van artikel 7:10 van de Awb is overschreden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart: </para>
    </parablock>
    <para>- het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslagen gegrond;</para>
    <para>- stelt vast dat de inspecteur, als gevolg van het niet tijdig beslissen op belanghebbendes verzoek, een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1.260;</para>
    <para>- gelast dat de inspecteur binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, beslist op belanghebbendes verzoek, op straffe van een dwangsom van € 50 per dag waarmee hij de hier genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500;</para>
    <para>- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 109,25;</para>
    <para>- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 aan haar vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 21 november 2013 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van M.J.M, Mies, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	de rechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: <?linebreak?><?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>