<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZWB:2013:11288</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-08-23T12:43:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zeeland-West-Brabant" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zeeland-West-Brabant</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-12-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/12/79585 / HA ZA 11-333</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2013:11288">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2013:11288</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-12-09T10:57:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZWB:2013:11288 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-12-2013 / C/12/79585 / HA ZA 11-333</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZWB:2013:11288:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overschrijding klaagtermijn van art. 7.23 BW. Termijn van vier maanden te lang.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZWB:2013:11288:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e4bc4b20-4c0a-4188-8323-5cffc536d030" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="afba0c2d-8362-4c54-834c-ffa6540a5a09" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>
        <?linebreak?>Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/12/79585 / HA ZA 11-333</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 4 december 2013</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [adres],</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. J.J. Spijk te Middelburg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [adres],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. C.A. Gobbens te Breda.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte overlegging producties</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van repliek</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van dupliek</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte uitlaten producties.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft op of omstreeks 22 augustus 2008 een oplegger van het merk Floor, bouwjaar 1978, aan [eiser] verkocht voor €15.000,00 exclusief BTW.<?linebreak?> heeft deze oplegger in november 2009 verkocht aan [koper X] en vervolgens in december 2009 aan hem geleverd.<?linebreak?> heeft [eiser] gedagvaard op 28 februari 2011, omdat [eiser] niet de juiste oplegger geleverd had. Overeengekomen was de levering van een oplegger van het merk Floor en geleverd was een oplegger van het merk Nooteboom. In die procedure is [eiser] bij vonnis van de rechtbank Middelburg van 27 juni 2012 veroordeeld tot betaling aan [koper X] van diverse bedragen. Daartegenover diende [koper X] de oplegger terug te leveren.<?linebreak?>Het kentekenbewijs van de oplegger is door de RDW ongeldig verklaard in november 2011.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert  samengevat – na wijziging van eis:<?linebreak?>- primair te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst met betrekking tot de oplegger tussen [eiser] als koper en [gedaagde] als verkoper buitengerechtelijk is ontbonden door [eiser];<?linebreak?>- subsidiair de koopovereenkomst met betrekking tot de oplegger tussen [eiser] als koper en [gedaagde] als verkoper te ontbinden;<?linebreak?>- [gedaagde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen €30.461,92 vermeerderd met de wettelijke rente<?linebreak?>- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.<?linebreak?><?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiser] stelt dat hij van [gedaagde] in 2008 een oplegger van het merk Floor, bouwjaar 1978 heeft gekocht voor €15.00,00 exclusief BTW. Deze oplegger heeft hij doorverkocht aan [koper X]. De overeenkomst tussen [eiser] en [koper X] is ontbonden omdat de oplegger niet van het merk Floor was, maar van het merk Nooteboom. In een daarover tussen [eiser] en [koper X] gevoerde procedure heeft de rechtbank dit vastgesteld en [eiser] veroordeeld tot betaling aan [koper X] van de koopprijs en de geleden schade. [eiser] heeft de overeenkomst uit 2008 met [gedaagde] bij brief van 17 juli 2012 buitengerechtelijk ontbonden om dezelfde reden.<?linebreak?>[eiser] stelt dat [koper X] hem van de problemen met de oplegger op de hoogte heeft gebracht tussen 17 mei 2010 en 9 juni 2010. In de periode daarna heeft [eiser] nog één of meerdere malen telefonisch contact opgenomen met [gedaagde]. Ook tijdens een persoonlijke ontmoeting medio eind 2010, heeft [eiser] de stellingname van [koper X] ter sprake gebracht bij [gedaagde]. [gedaagde] zou daarbij voorgesteld hebben de oplegger van [koper X] terug te nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] stelt dat [eiser] niet tijdig geklaagd heeft. Uit het vonnis van 25 januari 2012 dat is gewezen tussen [eiser] en [koper X], blijkt dat de koopovereenkomst tussen die partijen bij brief van 9 juni 2010 werd ontbonden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [eiser] bij brief van 22 juni 2010 heeft erkend dat hij geen Floor oplegger had geleverd aan [koper X]. [eiser] heeft vervolgens pas bij brief van 12 april 2011 [gedaagde] aangeschreven.<?linebreak?> betwist al eerder op de hoogte te zijn geweest. In ieder geval is het “op de hoogte brengen” onvoldoende om te voldoen aan het vereiste dat tijdig geklaagd moet worden.</para>
        <para>
          [gedaagde] stelt dat de ontbinding van de overeenkomst tussen [eiser] en [koper X] niet automatisch meebrengt dat er ook een grond is voor ontbinding van de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde]. <?linebreak?> heeft de oplegger geleverd en [eiser] heeft het gebruik ervan gehad. Als de oplegger geen Floor-oplegger zou zijn doet dat niets af aan het gebruik dat [gedaagde] ervan heeft kunnen maken. Indien het om een gestolen oplegger gaat is de termijn van terugvordering van drie jaar al lang verstreken en kan [eiser] de oplegger opnieuw laten registreren.<?linebreak?>[gedaagde] heeft ook de door [eiser] gevorderde bedragen bestreden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Uit de stellingen van partijen blijkt dat er geen geschil meer is over welke oplegger wordt geprocedeerd. [eiser] heeft van [gedaagde] een Floor-oplegger gekocht en geleverd is een Nooteboom-oplegger. In zijn conclusie van dupliek sub 8 stelt [gedaagde] ook dat de identiteit van de oplegger vaststaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft in een brief aan [koper X] van 9 juni 2010 erkend dat hij aan [koper X] een verkeerde oplegger had geleverd. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn verweer naar die in het geding gebrachte brief verwezen. [eiser] heeft gesteld dat hij [gedaagde] toen en in de periode daarna telefonisch op de hoogte heeft gebracht van de problemen met de oplegger. Eind 2010 heeft [gedaagde] volgens hem voorgesteld de oplegger terug te nemen. Deze stelling is door [gedaagde] bestreden. Als de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat wat [eiser] stelt juist is, dan heeft [eiser] nadat duidelijk was dat [koper X] de oplegger niet wilde teruggeven, nog tot 12 april 2011 gewacht met het aanschrijven van [gedaagde]. In die aanschrijving, de brief van 12 april 2011 van de advocaat van [eiser] aan [gedaagde], stelt [eiser] dat als hij wordt veroordeeld ten gunste van [koper X], hij de schade zal afwentelen op [gedaagde]. In de brief wordt niet gesteld dat [gedaagde] een verkeerde oplegger heeft geleverd. <?linebreak?>Na het mislukken van de ruil met [koper X] heeft [eiser] nog meer dan twee maanden gewacht met het aanschrijven van [gedaagde]. Die aanschrijving bevat geen duidelijke stellingname ten opzichte van [gedaagde]. Gelet op de verstreken termijn en de inhoud van de brief is de rechtbank van oordeel dat [eiser] niet binnen bekwame tijd zoals bedoeld in art. 7:23 BW geklaagd heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank is er in het bovenstaande veronderstellenderwijs vanuit gegaan dat de stellingen van [eiser]  over de contacten met [gedaagde] juist zijn. Zij oordeelt dat ook in dat geval [eiser] de klaagtermijn van artikel 7:23 BW heeft overschreden. Zij zal [eiser] dan ook niet toelaten zijn stellingen over de telefonische mededelingen en besprekingen met [gedaagde] te bewijzen. <?linebreak?><?linebreak?>4.4.	De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. [eiser] zal worden veroordeeld in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] zijn gevallen. Deze kosten worden als volgt begroot:<?linebreak?>griffierecht €800,00<?linebreak?>advocaatkosten €1.158,00 (2 x €579,00)</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst de vorderingen af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen zijnde €1.958,00;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. <?linebreak?><?linebreak?>Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2013.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>