<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBZUT:2012:BW0226</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:23:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BW0226</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Zutphen" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Zutphen</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-02-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">462913 / HA 11-220</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=1019w">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJF 2012/333</rdf:li>
          <rdf:li>JA 2012/185</rdf:li>
          <rdf:li>JAR 2012/82</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2012-0203</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2012-0203</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZUT:2012:BW0226">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZUT:2012:BW0226</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:54:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBZUT:2012:BW0226 Rechtbank Zutphen , 29-02-2012 / 462913 / HA 11-220</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBZUT:2012:BW0226:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deelgeschilprocedure over aansprakelijkheid ex art. 7:658 BW. Vaststelling van de toedracht van het ongeval en beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Kostenbegroting: criterium is niet of het door de gemachtigde gebruikelijk gehanteerde tarief redelijk is, maar het aantal uren dat hij redelijkerwijs aan de zaak heeft besteed.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBZUT:2012:BW0226:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK ZUTPHEN </para>
      <para>Sector Kanton – Locatie Apeldoorn</para>
      <para>Zaaknummer	: 462913 / HA 11-220</para>
      <para>Afschrift aan    	: mr. J.M. Tromp en mr. L.C. Dufour</para>
      <para>Verzonden d.d. 	:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>beschikking van de kantonrechter d.d. 29 februari 2012</para>
    <para />
    <para>inzake</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verzo[verzoeker],</para>
      <para>wonende te Apeldoorn, </para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.M. Tromp, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap Aannemings- en Verhuurbedrijf [naam bedrijf] B.V.,</para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te Wenum Wiesel,</para>
      <para>verweerster, </para>
      <para>gemachtigde: mr. L.C. Dufour. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- het ter griffie binnengekomen verzoekschrift d.d. 14 oktober 2011;</para>
      <para>- het ter griffie binnengekomen verweerschrift tevens zelfstandig verzoek d.d. 30 november 2011; </para>
      <para>- de mondelinge behandeling ter terechtzitting d.d. 6 december 2011. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beoordeling</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In geschil tussen partijen is of [naam werkgever] aansprakelijk is voor de schade voortvloeiend  </para>
      <para>    uit het ongeval dat haar werknemer [verzoeker] op 19 maart 2009 is overkomen. [verzoeker] legt </para>
      <para>    deze vraag op grond van art. 1019w Rv in het kader van de wet deelgeschilprocedure aan </para>
      <para>    de kantonrechter voor. Hij vraagt een verklaring voor recht dat [naam werkgever] aansprakelijk is  </para>
      <para>    voor het onderwerpelijke bedrijfsongeval. [naam werkgever] voert verweer, strekkende tot niet-</para>
      <para>    ontvankelijkverklaring van het verzoek, subsidiair afwijzing van het verzoek en (in het </para>
      <para>    kader van een zelfstandig tegenverzoek) vaststelling dat [naam werkgever] jegens [verzoeker] niet </para>
      <para>    aansprakelijk is voor het hem overkomen ongeval.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. [naam werkgever] stelt zich op het standpunt dat de onderhavige zaak zich niet leent voor </para>
      <para>    behandeling in een deelgeschilprocedure. Zij voert daartoe allereerst aan dat partijen </para>
      <para>    slechts discussie hebben gevoerd over de toedracht van het ongeval en de daarmee </para>
      <para>    samenhangende aansprakelijkheid en dat buitengerechtelijk geen onderhandelingen van </para>
      <para>    de grond zijn gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.  Dit verweer wordt verworpen. Partijen zijn het erover eens dat de aansprakelijkheids- </para>
      <para>     vraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Wel zal moeten worden </para>
      <para>     beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een </para>
      <para>     vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop </para>
      <para>     van de procedure. Tegen deze achtergrond is het feit dat geen sprake is geweest van enig </para>
      <para>     daadwerkelijk buitengerechtelijk onderhandelingsproces, zoals door [naam werkgever]  </para>
      <para>     aangevoerd, onvoldoende voor het oordeel dat het geschil niet geschikt is voor </para>
      <para>     behandeling in de deelgeschilprocedure. Juist het feit dat partijen van mening verschillen </para>
      <para>     over de aansprakelijkheid kan een forse drempel zijn voor het op gang komen van </para>
      <para>     onderhandelingen. Het voeren van onderhandelingen ter regeling van een letselschade en </para>
      <para>     het onderzoeken van de omvang van dergelijke schades kunnen immers kostbaar zijn. De </para>
      <para>     aangesproken partij zal daartoe in veel gevallen niet bereid zijn indien zij </para>
      <para>     aansprakelijkheid betwist, terwijl het ook voor het slachtoffer niet voor de hand ligt die </para>
      <para>     kosten te maken indiende aansprakelijkheid wordt betwist. Juist om die impasse te </para>
      <para>     doorbreken kan een rechterlijk oordeel in een deelgeschilprocedure een functie vervullen. </para>
      <para>     Zou het enkele feit dat de onderhandelingen nog niet op gang zijn gekomen juist door </para>
      <para>     verschil van inzicht over de aansprakelijkheid reeds tot gevolg hebben dat een verzoeker </para>
      <para>     niet in zijn verzoek wordt ontvangen, dan zou de door de wetgever klaarblijkelijk </para>
      <para>     beoogde mogelijkheid om ook de aansprakelijkheid in een deelgeschilprocedure aan de </para>
      <para>     orde te stellen, illusoir worden. (Vide Ktr. Utrecht 10 augustus 2011, zaaknummer </para>
      <para>     749344).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.  Voor zover [naam werkgever] erover klaagt dat [verzoeker] geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn </para>
      <para>     schade, moet daaraan worden voorbijgegaan, omdat [naam werkgever] er geen verklaring voor </para>
      <para>     heeft gegeven waarom daarnaar nog niet is geïnformeerd. Van een goed werkgever en </para>
      <para>     een goede verzekeraar mag worden verwacht minstens daaromtrent informatie in te </para>
      <para>     winnen, al was het maar om duidelijk te krijgen of procederen over de aansprakelijk-</para>
      <para>     heidsvraag wel zinvol is. In het algemeen zal daarom een enkele afwijzing van </para>
      <para>     aansprakelijkheid niet in de weg staan aan een deelgeschilprocedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.  Vervolgens is de proportionaliteitstoets aan de orde.  Voorop wordt gesteld dat het </para>
      <para>     alleszins aannemelijk is dat een beslissing over de aansprakelijkheidsvraag dienstig is </para>
      <para>     voor het onderhandelingsproces tussen partijen; [verzoeker] beoogt met deze procedure het </para>
      <para>     onderhandelingsproces op zijn minst van een nieuwe start te voorzien en van de zijde van </para>
      <para>     [naam werkgever] is geen enkel teken vernomen dat de omvang van de schade per se in een </para>
      <para>     rechterlijke procedure moet worden vastgesteld; de gedragsregels van de advocaten die </para>
      <para>     deze zaak behandelen, staan daaraan ook in de weg. En overigens kan ook op dat punt </para>
      <para>     een volgende deelgeschilprocedure volgen, waarover later meer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.  Tenslotte betoogt [naam werkgever] dat de aansprakelijkheidsvraag niet beantwoord kan worden </para>
      <para>     zonder een tijdrovend proces met bewijslevering, zodat van onevenredigheid  tussen </para>
      <para>     kosten en baten van deze procedure. Ook dit verweer wordt verworpen op grond van </para>
      <para>     hetgeen hierna zal blijken. Nu terstond beslist kan worden, gaat dit verweer niet op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.  In dit kader spelen twee aspecten een rol. In de eerste plaats de toedracht van het </para>
      <para>     ongeval. In de tweede plaats of eventueel sprake is van schending van de zorgplicht ex </para>
      <para>     art. 7:658 BW zijdens [naam werkgever].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.   Wat betreft de toedracht zijn partijen het erover eens dat niemand heeft gezien wat er </para>
      <para>      precies is gebeurd. In die zin zal het relaas ter zake van [verzoeker] leidend moeten zijn. De </para>
      <para>      mondelinge behandeling van het verzoek heeft daaraan een belangrijke bijdrage </para>
      <para>      geleverd. Achteraf moet geconstateerd worden dat het onderzoek van Cunningham&amp; </para>
      <para>      Lindsey meer gericht is geweest op de gevolgen van het ongeval dan vaststelling van de </para>
      <para>      toedracht van het ongeval. Als [naam werkgever] in het verweerschrift wijst op de </para>
      <para>      onduidelijkheid van het standpunt van [verzoeker], moet aan haar worden tegengeworpen dat </para>
      <para>      het minstens op haar weg had gelegen zich eigenstandig een indruk te vormen omtrent </para>
      <para>      hetgeen [verzoeker] is overkomen; het genoemde onderzoek van Cunningham&amp; Lindsey was </para>
      <para>      daarvoor onvoldoende en dat had [naam werkgever] ook zelf moeten en kunnen onderkennen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9.   Met betrekking tot de toedracht van het ongeval kan op grond van de (niet weersproken) </para>
      <para>      inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting worden uitgegaan van </para>
      <para>      het volgende:</para>
      <para>      [verzoeker] is door [naam werkgever] gestuurd naar een werk in Dronten. [naam werkgever] had beoordeeld </para>
      <para>      dat [verzoeker] dat werk in zijn eentje kon doen. Ter plaatse bleek dat geboord moest worden </para>
      <para>      door breekplaten. Dat zijn betonplaten met opstaand ijzerwerk. Ter plaatse bleek ook dat </para>
      <para>      op een gedeelte waar [verzoeker] moest werken, al vlechtwerk op de breekplaten was </para>
      <para>      aangebracht. Dat was ongebruikelijk en voor [verzoeker] nieuw. [verzoeker] heeft dit aangekaart bij </para>
      <para>      de opdrachtgever, maar deze zei dat de vloer er gauw in moest komen en dat het zo –</para>
      <para>      zonder hulp – gedaan moest worden. Dat het vlechtwerk al aangebracht was, heeft het </para>
      <para>      werken bemoeilijkt. Het ongeval is gebeurd bij het opruimen. Bij andere plekken waren </para>
      <para>      de plaatsen waar geboord moest worden toegankelijk. De laatste stukken waren dit niet. </para>
      <para>      [verzoeker] had gereedschappen die een aantal kilo’s wogen. In dergelijke omstandigheden </para>
      <para>      zijn die lastig  te hanteren. [verzoeker] was bezig zijn gereedschap op de fundering te leggen </para>
      <para>      en zijn haspel op te ruimen (in te rollen). Op het moment dat hij de haspel naar zich </para>
      <para>      toetrok, bleef het snoer achter het vlechtwerk hangen, waardoor [verzoeker] zijn evenwicht </para>
      <para>      verloor. Hij wilde balanceren op de fundering, maar gleed naar beneden. Hij wilde dit </para>
      <para>      corrigeren en stapte toen op de fundering. Hij stapte mis en kwam op de buitengrond , </para>
      <para>      80 cm lager terecht, waardoor hij door zijn enkel ging. Ter plaatse heeft hij melding </para>
      <para>      gemaakt van zijn misstap. Hij heeft op de weg naar huis in de bus meer last gekregen en </para>
      <para>      is naar het ziekenhuis gegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Dat over het ongeval geen rapportage van de Arbeidsinspectie is, is verklaarbaar, omdat </para>
      <para>      de wetgeving daartoe niet noopt. Wel was bij [naam werkgever] bekend dat [verzoeker] naar </para>
      <para>      aanleiding van de misstap naar het ziekenhuis was geweest (een collega heeft hem </para>
      <para>      thuisgebracht). Dat [naam werkgever] genoegen heeft genomen moet de mededeling van [verzoeker] </para>
      <para>      dat hij met een paar dagen rust wel klaar zou zijn, moet voor rekening en risico van </para>
      <para>      [naam werkgever] worden gelaten. Het had op de weg van [naam werkgever] gelegen in ieder geval </para>
      <para>      zelfstandig na te gaan wat er gebeurd was, al was het maar om voor de toekomst </para>
      <para>      preventieve maatregelen te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Op grond van het vorenstaande staat vast dat [verzoeker] schade heeft geleden in de </para>
      <para>      uitoefening van zijn werkzaamheden. Vervolgens is de vraag aan de orde of [naam werkgever] </para>
      <para>      heeft voldaan aan haar zorgplicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Met betrekking tot de zorgplicht heeft [naam werkgever] –voor zover thans van belang– het </para>
      <para>      volgende aangevoerd:</para>
      <para>      [naam werkgever] heeft in het geval van[verzoeker] invulling gegeven aan haar zorgplicht door</para>
      <para>i. de begeleiding van [verzoeker] in en op het werk na indiensttreding• in 2001;</para>
      <para>ii. de VCA cursus die [verzoeker] in opdracht van [naam werkgever] heeft gevolgd;</para>
      <para>iii. het organiseren van Toolboxmeetings; </para>
      <para>iv. de mogelijkheid te bieden contact op te nemen met kantoor, te </para>
      <para>      overleggen en zo nodig af te zien van het uitvoeren van de opdracht als </para>
      <para>      [verzoeker] een bouwterrein gevaarlijk beoordeelde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Ter zitting heeft [naam werkgever] nog het volgende aangevoerd:</para>
      <para>      [naam werkgever] heeft de volgende maatregelen getroffen om de heer [verzoeker] te behoeden voor </para>
      <para>      een ongeval: </para>
      <para>      * [verzoeker] is door ervaren medewerkers ingewerkt en opgeleid tot betonboorder; </para>
      <para>      * [verzoeker] was ten tijde van het voorval 7,5 jaar werkzaam als betonboorder; </para>
      <para>      * [verzoeker] had in 2003 zijn VCA certificaat gehaald; </para>
      <para>      * Bijna maandelijks vinden VCA bijeenkomsten bij [naam werkgever] plaats; </para>
      <para>      * [naam werkgever] is zelf VCA gecertificeerd wat betekent dat zij voldoet aan alle  </para>
      <para>         veiligheidseisen en daarop onaangekondigd wordt gecontroleerd door de certificerende </para>
      <para>         instelling Bureau Veritas Nederland uit Amersfoort; </para>
      <para>      * De heren [naam werkgever] komen regelmatig op de bouwplaatsen waar de werknemers </para>
      <para>         werkzaam zijn, om mee te helpen en ook om te kijken hoe er gewerkt wordt en of de </para>
      <para>         veiligheidsinstructies worden nageleefd; </para>
      <para>      * De werknemers zijn geïnstrueerd dat zij voor dat zij beginnen met hunwerkzaamheden </para>
      <para>         eerst zelf de werkplek overzien om te kunnen beoordelen of zij daar veilig kunnen </para>
      <para>         werken (last Minute Risk Analysis, LMRA). Bij conflicten over de veiligheid van de </para>
      <para>         bouwplaats, staat [naam werkgever] achter haar werknemers; </para>
      <para>      * [naam werkgever] voorziet haar werknemers van de volgende beschermingsmiddelen: </para>
      <para>         gehoorbescherming, handschoenen, werkschoenen, veiligheidsbrillen, veiligheidshelm </para>
      <para>        en reflecterende kleding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>14.  Het vorenstaande getuigt van een forse inspanning van [naam werkgever] om werknemers als </para>
      <para>       [verzoeker] te behoeden voor veiligheidsgevaren. [verzoeker] heeft aangevoerd dat hem zou zijn </para>
      <para>       toegezegd dat hij in voorkomende gevallen een helper mee zou krijgen. In deze </para>
      <para>       procedure heeft hij naar voren gebracht dat hij daarin teleur is gesteld door [naam werkgever]. </para>
      <para>       Onvoldoende is gebleken dat dit verwijt doel treft. Het geeft echter wel aan waarom </para>
      <para>       toch niet kan worden geoordeeld dat [naam werkgever] aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het is </para>
      <para>       immers vaste rechtspraak dat in het kader van de zorgplicht telt dat niet alleen </para>
      <para>       veiligheidsinstructies moeten worden gegeven, maar dat ook rekening ermee moet </para>
      <para>       worden gehouden dat werknemers in de dagelijkse routine licht de optimale veiligheid </para>
      <para>       uit het oog kunnen verliezen, hetgeen noopt tot extra alertheid van de werkgever.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>15. In het onderhavige geval pleegt de werkvoorbereider een inschatting te maken of de </para>
      <para>      werknemer het werk al dan niet alleen af kan. Dat is op zichzelf logisch en </para>
      <para>       aanvaardbaar, omdat het waarschijnlijk te ver voert dat een werkgever alle werken waar </para>
      <para>       hij werknemers heen stuurt, tevoren screent. Anderzijds gaat het niet aan de </para>
      <para>       verantwoordelijkheid voor de screening vervolgens aan de werknemer te mandateren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>16. In het onderhavige geval is precies gebeurd wat de zorgplicht beoogt te voorkomen: dat </para>
      <para>      een werknemer door de opdrachtgever wordt overgehaald werkzaamheden toch maar uit </para>
      <para>      te voeren omdat er haast bij is, ondanks relevante bezwaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. Het verwijt aan [naam werkgever] is de norm die zij zelf stelt: de mogelijkheid te bieden contact </para>
      <para>      op te nemen met kantoor, te overleggen en zo nodig af te zien van het uitvoeren van de </para>
      <para>      opdracht als [verzoeker] een bouwterrein gevaarlijk beoordeelde. Het enkele mogelijkheid </para>
      <para>      bieden contact op te nemen is onvoldoende, zoals het ook onvoldoende is het </para>
      <para>      voorbehoud ‘zo nodig’ te maken. [naam werkgever] kan en mag haar verantwoordelijkheid niet </para>
      <para>      ontlopen door de werknemer een mogelijkheid aan te bieden. De instructie moet zijn: als </para>
      <para>      je maar enigszins twijfelt of je het aan kan, dan sturen wij een helper; en mocht blijken </para>
      <para>      dat je een keer ondanks twijfel toch zelf bent doorgegaan, dan volgt een disciplinaire </para>
      <para>      sanctie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>18. Kortom: de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag valt zonder nader onderzoek </para>
      <para>      te geven en valt in het nadeel van [naam werkgever] uit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>19. Cecik begroot de buitengerechtelijke kosten op € 5.244,90 (exclusief griffierecht ad            </para>
      <para>      € 71,-) op basis van het door de gemachtigde van [verzoeker] gehanteerde uurtarief van </para>
      <para>      € 297,- excl. 6% kantooropslag en 19% BTW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>20. [naam werkgever] accepteert het aantal uren (14) maar maakt bezwaar tegen het uurtarief dat </para>
      <para>      uitkomt op € 315,-. Zij stelt dat de zaak niet zodanig ingewikkeld is dat daarvoor een </para>
      <para>      zodanige mate van kennis en specialisatie is vereist dat dat een zo hoog uurtarief </para>
      <para>      rechtvaardigt. [naam werkgever] stelt voor een uurtarief van EUR 250,10 (incl. 6% </para>
      <para>      kantoorkosten, exclusief BTW) te hanteren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>21. Voor zover de gemachtigde van [naam werkgever] verwijst naar haar eigen uurtarief kan dat </para>
      <para>      haar niet baten. Het blijft lastig appels met peren te vergelijken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>22. Meer principieel gezien gaat het om de vraag of de hoeveelheid tijd die aan de zaak is </para>
      <para>      besteed, redelijk is te achten. Daar zijn partijen het wel over eens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>23. Voor het beantwoorden van de vraag of het te hanteren uurtarief redelijk is, is vooral </para>
      <para>      belangrijk welk tarief de gemachtigde in rekening pleegt te brengen. Het zou immers te </para>
      <para>      ver voeren van een slachtoffer te vergen zich vooraf te informeren omtrent de </para>
      <para>      complexiteit van zijn claim en daarbij een advocaat te zoeken die  declareert in </para>
      <para>      overeenstemming met die – veronderstelde – complexiteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>24. Terecht verwijst de gemachtigde van [verzoeker] naar zijn specialisatie en langjarige ervaring </para>
      <para>      op het gebied van personenschade die als zodanig door [naam werkgever] niet worden betwist.  </para>
      <para>      Dan is er geen aanleiding te beknibbelen op zijn declaratie. Dan zou immers het </para>
      <para>      argument moeten zijn dat een advocaat met zijn specialistische ervaring minder uren aan </para>
      <para>      deze zaak zou hebben hoeven besteden dan geclaimd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>25. Nu de voorgestelde kostenbegroting niet als bovenmatig kan worden aangemerkt, zal </para>
      <para>      deze worden gevolgd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>26. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het primaire verweer van [naam werkgever] alsmede het </para>
      <para>      tegenverzoek moeten worden verworpen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>27. Het komt de kantonrechter geraden voor gebruik te maken van de hem door art. 1019ij </para>
      <para>      RV geboden mogelijkheid een comparitie van partijen te gelasten, waarbij aan de orde </para>
      <para>      komt en mogelijk afspraken kunnen worden gemaakt omtrent de verdere afhandeling </para>
      <para>      van het geschil. Zulks tenzij partijen eenparig te kennen geven daarop geen prijs te </para>
      <para>      stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>28. Eén en ander leidt tot de volgende beslissing.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Beslissing</para>
    <para />
    <para>Voor recht wordt verklaard dat [naam werkgever] aansprakelijk is voor het bedrijfsongeval dat [verzoeker] op 19 maart 2009 is overkomen.</para>
    <para />
    <para>De kosten van de behandeling van het verzoek worden vastgesteld op € 5.315,90.</para>
    <para />
    <para>Het tegenverzoek wordt afgewezen.</para>
    <para />
    <para>Partijen worden uitgenodigd in persoon/deugdelijk vertegenwoordigd te verschijnen voor de kantonrechter en wel op een nader, in overleg met partijen vast te stellen datum en tijdstip.</para>
    <para />
    <para>Voor of uiterlijk op woensdag 14 maart 2012 kunnen partijen schriftelijk aan de Rechtbank Zutphen, Sector Kanton, Locatie Apeldoorn (postadres: postbus 10130, 7301 GC Apeldoorn) opgeven op welke dag(en) zij de komende vier maanden verhinderd zijn. </para>
    <para />
    <para>Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
    <para />
    <para>Aldus gegeven door mr. D.J. Buijs, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van woensdag 29 februari 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>